Uitspraak
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering
3.Grondslag van de vordering
4.Wederrechtelijk verkregen voordeel
5.De verplichting tot betaling
6.Toepasselijke wettelijke voorschriften
7.Beslissing
€ 110.374,59.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam heeft op 3 september 2019 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die schuldig is bevonden aan handel in verdovende middelen, voorbereidingshandelingen daartoe en gewoontewitwassen. De zaak betrof het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat ontnomen moet worden.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €160.136,97, later aangepast naar €158.365,58, gebaseerd op een financieel onderzoek en kasopstelling. De verdediging betwistte deze vordering en bracht diverse posten in mindering, waaronder huurkosten, brandstofkosten, gedeelde autokosten en geldtransfers.
De rechtbank nam het ontnemingsrapport als uitgangspunt maar bracht correcties aan op basis van bewijsmiddelen, waaronder het verminderen van contant geld, huurkosten, energierekeningen en gedeelde autokosten. Ook werden bepaalde waardevolle zaken zoals verbeurde auto's en telefoons buiten beschouwing gelaten. Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €110.374,59.
De rechtbank wees het verzoek van de verdediging af om het te betalen bedrag te verlagen wegens vermeende ontoereikende financiële draagkracht, omdat dit onvoldoende was onderbouwd. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.
De maatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft een ontnemingsvordering na bewezenverklaring van ernstige strafbare feiten.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht €110.374,59 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.