De rechtbank Amsterdam heeft op 29 augustus 2019 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde vast te stellen en terug te vorderen. Veroordeelde was vrijgesproken van een aantal feiten, maar veroordeeld voor diefstal met braak van een motorfiets op 7 februari 2019.
De officier van justitie stelde dat veroordeelde voordeel had behaald uit de opbrengst van twee gestolen motoren, elk gewaardeerd op €500, en dat dit voordeel evenredig verdeeld moest worden tussen de twee daders. De verdediging betwistte de vordering, verwijzend naar vrijspraak en onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij een van de feiten.
De rechtbank oordeelde dat op basis van het bewezen feit en aanwijzingen voor medeplegen bij een tweede diefstal, het voordeel voor veroordeelde €500 bedroeg. Hierbij werd rekening gehouden met een verdeling van de opbrengst tussen twee daders. Verder werd het bedrag dat veroordeelde moest betalen verminderd met €250 vanwege een reeds toegekende schadevergoeding aan de benadeelde partij, die betrekking had op andere schadeposten dan de opbrengst van de motor.
De rechtbank baseerde haar beslissing op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en legde veroordeelde de verplichting op om €250 aan de Staat te betalen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder leiding van voorzitter kinderrechter J.P.C. van Dam van Isselt.