De werknemer trad op 27 februari 2019 in dienst bij het transportbedrijf voor een bepaalde tijd tot 26 september 2019. In de arbeidsovereenkomst was een proeftijd van een maand opgenomen, maar de cao voor het beroepsgoederenvervoer vereist dat een proeftijd schriftelijk vóór indiensttreding wordt medegedeeld. Dit is niet gebeurd.
De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op 21 maart 2019 op, terwijl de werknemer niet akkoord ging met de opzegging omdat er geen geldige proeftijd was overeengekomen. De werknemer verzocht vernietiging van de opzegging, met nevenvorderingen tot billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
De werkgever voerde aan dat het proeftijdbeding rechtsgeldig was en dat de cao-bepaling in strijd is met de wet. De kantonrechter oordeelde dat de cao-afwijking ten voordele van de werknemer is toegestaan en dat de werkgever onvoldoende heeft voldaan aan de schriftelijke mededelingsplicht. Hierdoor is het proeftijdbeding nietig en is de opzegging ongeldig.
De kantonrechter vernietigde de opzegging, veroordeelde de werkgever tot toelating van de werknemer tot zijn werkzaamheden en tot doorbetaling van het salaris vanaf de datum van opzegging tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarnaast werden de proceskosten aan de zijde van de werkgever opgelegd.