Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:6203

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 augustus 2019
Publicatiedatum
22 augustus 2019
Zaaknummer
13/751566-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens georganiseerde gewapende diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 augustus 2019 de vordering tot overlevering van een Servische verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Landgericht Hildesheim. De verdachte wordt verdacht van georganiseerde gewapende diefstal, een strafbaar feit volgens Duits recht. De verdediging voerde aan dat de rol van de verdachte onvoldoende was omschreven en dat de uitvaardigende Duitse rechtbank niet bevoegd was het EAB uit te vaardigen.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid verschaft over het feit en de betrokkenheid van de verdachte, en dat de overleveringsprocedure niet vereist dat de rechter inhoudelijk toetst aan het bewijs. Daarnaast volgt uit het vertrouwensbeginsel dat de rechtbank ervan uitgaat dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bevoegd is, ook al bestaat in Duitsland discussie over de bevoegdheid van bepaalde rechtbanken om EAB's uit te vaardigen.

De rechtbank stelde vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht voorkomt op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet, waardoor toetsing aan dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Gezien het voldoen aan alle wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751566-19
RK nummer: 19/3681
Datum uitspraak: 20 augustus 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2019 door het
Landgericht Hildesheim(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon] alias [alias naam opgeëiste persoon 1] alias [alias naam opgeëiste persoon 2] alias [alias naam opgeëiste persoon 3]
geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië, nu Servië) op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.
De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. H.A.F.C. Tack, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en heeft vastgesteld dat hij de Servische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel met het oog op preventieve hechtenis, uitgevaardigd door het
Amtsgericht Hildesheimop 31 augustus 2018 (dossiernummer: 109 Gs 1133/18)
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1.
Genoegzaamheid
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rol van de opgeëiste persoon niet genoegzaam is omschreven in het EAB, omdat uit de beschrijving niet duidelijk wordt hoe de opgeëiste persoon aan dit feit wordt gekoppeld.
De officier van justitie stelt daartegenover dat het feit genoegzaam is omschreven en dat de overlevering eerder al is toegestaan toen de Duitse officier van justitie voor dit feit een gelijkluidend EAB had uitgevaardigd. Voldoende is namelijk de vermelding dat de opgeëiste persoon als pleger wordt aangemerkt. In de overleveringsprocedure dient de rechter niet te treden in het bewijs en ook de rechtvaardiging van de verdenking speelt daarin geen rol.
De rechtbank stelt voorop dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt het volgende.
De opgeëiste persoon wordt verdacht van het plegen van een gewapende diefstal, zoals
- inclusief pleegperiode en pleegplaats - is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Naar het oordeel van de rechtbank is met deze omschrijving - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek - voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Ook overigens is voldaan aan de vereisten die de OLW aan het EAB stelt, zodat de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel is dat het feit genoegzaam is omschreven. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.

4.Bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het
Landgericht Hildesheimniet bevoegd was om het EAB uit te vaardigen. De door de officier van justitie in raadkamer op 9 juli 2019 genoemde paragrafen 162, eerste lid, paragraaf 3 en paragraaf 457, derde lid, van het Duitse wetboek van strafrecht, waaruit deze bevoegdheid zou moeten volgen, lijken alleen de bevoegdheid te geven om een nationaal arrestatiebevel uit te vaardigen. Paragraaf 457, lid 3, ziet bovendien alleen op executieoverleveringen en daaruit volgt dat EAB’s alleen kunnen worden uitgevaardigd door de rechtbank van eerste aanleg. Dit EAB is echter uitgevaardigd door het
Landgericht Hildesheim, terwijl het nationale arrestatiebevel door het
Amtsgericht Hildesheimis uitgevaardigd. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om de zaak aan te houden om nadere informatie in te winnen bij de uitvaardigende autoriteit over haar bevoegdheid om EAB’s uit te vaardigen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak om nadere informatie in te winnen over de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het haar weliswaar bekend is dat
Amtsgerichtein een aantal deelstaten zich niet bevoegd achten om EAB’s uit te vaardigen en dat daarover in Duitsland momenteel discussie gaande is, maar dat het niet aan deze rechtbank is om te treden in de interpretatie van Duits recht. Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ) in het arrest van 27 mei 2019 heeft geoordeeld dat een rechter bevoegd is om een EAB uit te vaardigen en dat de rechtbank nadien overleveringen naar Duitsland heeft toegestaan. Ten slotte heeft de officier van justitie gewezen op de uitspraak van 26 april 2019 (ELCI:NL:RBAMS:2019:3631), waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de rechtbank niet hoeft te onderzoeken of aan de eisen van relatieve competentie is voldaan, maar dat zij er in dat geval op moet vertrouwen dat de uitvaardigende autoriteit bevoegd is.
De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.
Voor een rechter of rechterlijke instantie gelden niet de aanvullende voorwaarden die het HvJ in de overwegingen 74 en 75 van het eerder genoemde arrest heeft gesteld indien een EAB is uitgevaardigd door een andere autoriteit die is belast met de rechtsbedeling. Het is niet aan de rechtbank om te treden in de vraag of de rechter of rechterlijke instantie volgens het recht van de desbetreffende lidstaat wel bevoegd is om een EAB uit te vaardigen. In geval een EAB is uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit, moet het, gelet op het in het overleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel, er dan ook voor worden gehouden dat deze autoriteit daartoe bevoegd is.

5.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[naam opgeëiste persoon] alias [alias naam opgeëiste persoon 1] alias [alias naam opgeëiste persoon 2] alias [alias naam opgeëiste persoon 3]aan het
Landgericht Hildesheim(Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. C.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. C. Klomp en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.