Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:6201

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 augustus 2019
Publicatiedatum
22 augustus 2019
Zaaknummer
13/751515-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 augustus 2019 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen, op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het District Court in Wrocław op 6 maart 2019. De opgeëiste persoon werd verdacht van diefstal met braak en een gevangenisstraf van een jaar en zes maanden werd ten uitvoer gelegd.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de behandeling van zijn zaak, waardoor een weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing zou zijn. De rechtbank concludeerde echter dat de persoon in persoon was gedagvaard en dat er geen reden was om aan de juistheid van het EAB te twijfelen, zodat overlevering niet op die grond kon worden geweigerd.

Verder betoogde de verdediging dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moest worden aan een Nederlander, waardoor overlevering geweigerd zou moeten worden. De rechtbank oordeelde dat de persoon niet voldeed aan de vereisten voor gelijkstelling, met name omdat hij nog geen vijf jaar onafgebroken in Nederland verbleef.

De verdediging stelde ook vragen over de Poolse rechtstaat en het eerlijke proces, verwijzend naar een eerdere mishandeling tijdens een politieverhoor. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het vonnis waarop het EAB is gebaseerd dateert van vóór de wetswijziging van juli 2017 en er geen concrete aanwijzingen waren dat het proces oneerlijk was verlopen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden waren, waardoor de overlevering werd toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751515-19
RK nummer: 19/3670
Datum uitspraak: 20 augustus 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 maart 2019 door de
District Court in Wrocław(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentie adres] te [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.A. Schulpen, advocaat te
Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
final and binding judgement of the Regional Court for Wrocław-Śródmieścievan 22 mei 2017 (referentie: II K 152/17)
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:
[X] No, the person did not appear in person at the trial at the hearing, as a result of which the ruling was made
(…) .
1. Should answer ‘no’ be marked please indicate which of the below circumstances take place:
(…)
b. the person concerned was summoned in person on 26 April 2017, and owing to this was informed of the date and place of the hearing, as a result of which the decision was rendered, and was also informed that a decision may be rendered in absentia, should he fail to appear at a hearing;
(…)
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de behandeling van zijn zaak, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, zodat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in
artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat in het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid. De rechtbank ziet in hetgeen de opgeëiste persoon heef gesteld geen aanleiding om aan de in het EAB opgenomen informatie te twijfelen. Gelet daarop is sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW en bestaat geen aanleiding de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro te weigeren.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

5.Beroep op artikel 6, vijfde lid, OLW

De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk moet worden gesteld aan een Nederlander. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt stukken overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 2017 in Nederland woont en werkt. Hij woont samen met zijn vriendin en ook familie van hem is in Nederland woonachtig. Weliswaar heeft de opgeëiste persoon nog niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleven, maar voor het overige voldoet hij aan alle vereisten voor gelijkstelling. De raadsvrouw heeft bepleit dat de overlevering wordt geweigerd, waarbij zij, zo begrijpt de rechtbank, kennelijk een beroep doet op de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid OLW.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:
1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
Voor de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste rechtspraak van deze rechtbank:
  • een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger;
  • een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook door het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.
Vast staat dat de opgeëiste persoon nog geen vijf jaren in Nederland verblijft, zodat hij daarom al niet voldoet aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 6, vijfde lid, OLW. Het verweer dat de opgeëiste persoon met een Nederlander moet worden gelijkgesteld en dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de uitvaardigende autoriteit geen terugkeergarantie heeft gegeven, wordt daarom verworpen.

6.Poolse rechtsstaat

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, gelet op de behandeling die de opgeëiste persoon in Polen eerder heeft ondergaan - hij is geslagen tijdens een politieverhoor - niet vast staat dat hij in Polen een eerlijk proces heeft gekregen.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer en daarbij gewezen op het feit dat het onderhavige overleveringsverzoek ziet op executie van een al opgelegde straf en dat de vragen over de Poolse rechtstaat in dit geval niet in het geding zijn omdat het vonnis dateert van vóór november 2017.
De rechtbank maakt uit de dossierstukken op dat de opgeëiste persoon heeft gesteld dat hij tijdens een verhoor door de politie in een andere strafzaak is geslagen door de politie. Wat daarvan ook zij, daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat hij in deze zaak geen eerlijk proces heeft gekregen. Voor zover de raadsvrouw met dit verweer heeft beoogd zich te beroepen op de rechtspraak van deze rechtbank over de Poolse rechtstaat, overweegt de rechtbank dat dit beroep in dit verband niet kan slagen. Het vonnis in deze zaak dateert van 22 mei 2017. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de rechterlijke onafhankelijkheid ook vóór de wetswijziging van juli 2017 dusdanig in het geding was, dat in de strafzaak van de opgeëiste persoon op dat moment geen sprake was van een eerlijk proces.
De vraagtekens en twijfels die de raadsvrouw zet bij de totstandkoming van het vonnis zijn verder ook helemaal niet onderbouwd, zodat de rechtbank het verweer verwerpt.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
District Court in Wrocław(Polen).
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. C.A. van Dijk en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.