Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Amtsgericht Köln(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Amtsgericht Kölnop 6 mei 2019 (zaaknummer 506 Gs 867/19).
4.Bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit
§ 74 Gesetz über die Internationale Rechtshilfe in Strafsachengesteld dat in Duitsland de minister van Justitie exclusief is aangewezen als bevoegde autoriteit voor het uitvaardigen van EAB’s en dat rechters in Duitsland daartoe niet bevoegd zijn. De raadsman heeft er verder op gewezen dat de rechtbank op 25 juni 2019 een zaak heeft aangehouden om daarover bij de Duitse autoriteiten nadere informatie in te winnen.
Amtsgerichtein een aantal deelstaten zich niet bevoegd achten om EAB’s uit te vaardigen en dat daarover in Duitsland momenteel discussie gaande is, maar dat het niet aan deze rechtbank is om te treden in de interpretatie van Duits recht. Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ) in het arrest van 27 mei 2019 (C-508/18) heeft geoordeeld dat een rechter bevoegd is om een EAB uit te vaardigen en dat de rechtbank nadien overleveringen naar Duitsland heeft toegestaan, indien het EAB door een rechter was uitgevaardigd. De door de raadsman genoemde zaak die op 25 juni 2019 is behandeld is om andere reden aangehouden dan de door de raadsman opgeworpen vraag over de bevoegdheid. Op dezelfde zitting is in een zaak waarin hetzelfde is aangevoerd de overlevering wel toegestaan. Ten slotte heeft de officier van justitie gewezen op de uitspraak van 26 april 2019 (ELCI:NL:RBAMS:2019:3631), waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de rechtbank niet hoeft te onderzoeken of aan de eisen van relatieve competentie is voldaan, maar dat zij er in dat geval op moet vertrouwen dat de uitvaardigende autoriteit bevoegd is.
5.Strafbaarheid
6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Aan synthetische cannabinoïden is waarde in het handelsverkeer toe te kennen en de bestemming die de aangeboden stoffen hebben zijn voor gebruik. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de synthetische cannabinoïden zijn aan te merken als ‘waren’ in de zin van artikel 174 Sr Pro.
7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
- de verdovende middelen zijn in Duitsland ingevoerd;
8.Slotsom
9.Toepasselijke wetsartikelen
13 OLW.
10.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Kölnten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder 6, 12, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47 en 48 omschreven feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, voor zover deze zien op de middelen 4-FA, 4 MEC, α-PVP, AB CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat en fentanyl.
[opgeëiste persoon]voor zover het EAB betrekking heeft op de hiervoor vermelde feiten en deze niet zien op de hiervoor vermelde middelen en voor de overige feiten.