De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 augustus 2019 de vordering tot overlevering van een Poolse staatsburger aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Włocławek. De opgeëiste persoon werd verdacht van medeplegen van verkrachting en er resteren nog ruim twee jaar van een opgelegde vrijheidsstraf.
De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon slechts bij de eerste zitting aanwezig was en vrijgesproken werd, dat het vertrouwensbeginsel niet zonder meer toegepast kan worden, dat de verjaring onduidelijk is en dat de detentieomstandigheden in Polen onvoldoende medische zorg bieden, gezien zijn fragiele gezondheid. De officier van justitie verwierp deze verweren en steunde op het vertrouwensbeginsel en het CPT-rapport.
De rechtbank oordeelde dat het vertrouwensbeginsel in het overleveringsrecht centraal staat en dat geen contra-indicaties zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon op alle zittingen aanwezig was. De verjaringstermijn is helder vastgesteld op 18 maart 2029. Ten aanzien van de detentieomstandigheden achtte de rechtbank op basis van het EU-Hof-arrest Aranyosi en Căldăraru en objectieve gegevens geen reëel gevaar voor onmenselijke behandeling aanwezig.
Daarmee voldoet het EAB aan de wettelijke eisen en staan geen weigeringsgronden aan overlevering in de weg. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.