7.3Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte, zoals daarvan bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeven winkeldiefstallen waarbij een grote hoeveelheid aan goederen is weggenomen. Dit zijn ergerlijke feiten. Met het plegen van deze feiten heeft hij alleen oog gehad voor zijn financiële gewin en geen rekening gehouden met de overlast en schade die hij veroorzaakt bij de winkeliers.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 9 juli 2019, opgemaakt door D. de Vries. Uit het rapport blijkt – kort gezegd – onder meer het volgende. Er is bij verdachte sprake van een jarenlange verslaving aan harddrugs. Verdachte pleegt vermogensdelicten om in het gebruik van cocaïne te voorzien. Verdachte heeft eerder de ISD-maatregel opgelegd gekregen. In het kader van die ISD-maatregel heeft verdachte een klinische behandeling gevolgd bij de Piet Roorda kliniek, die hij niet heeft afgerond. Na het gebruik van harddrugs tijdens zijn verlof, is hij weer teruggeplaatst in de penitentiaire inrichting en heeft hij het restant van de maatregel ‘kaal’ uitgezeten. Verdachte kwam daarna in december 2018 vrij zonder intensief hulpverleningstraject. Hij is binnen korte tijd gerecidiveerd en is weer drugs gaan gebruiken. Om de vicieuze cirkel van vastzitten, vrijkomen en terugvallen te doorbreken, is een gestructureerd en intensief plan van aanpak nodig, dat het meest ‘veilig’ kan plaatsvinden vanuit het dwangkader van de ISD-maatregel, omdat daarmee recidive kan worden voorkomen en welke binnen een ambulant kader op dit moment niet voldoende voorhanden is, omdat huisvesting aansluitend aan detentie niet kan worden gegarandeerd. Het risico op recidive wordt, wegens de verslavingsproblematiek van verdachte in combinatie met zijn langdurige en intensieve justitiële verleden, alsmede zijn zwakke maatschappelijke positie ingeschat als hoog. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt, gezien alle voorgaande trajecten zowel in een drang als in een dwangkader, waarin verdachte zich regelmatig onttrok aan de afspraken, ook ingeschat als hoog. Er wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Verder heeft de rechtbank op de zitting mevrouw M. Hamels, als reclasseringswerker werkzaam bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, als deskundige gehoord. Zij heeft verklaard dat de reclassering onderzoek heeft gedaan naar alternatieven voor de ISD-maatregel, omdat verdachte al eerder de ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen en dat slechts zeven maanden geleden ten einde is gekomen. De oplegging van de ISD-maatregel zorgt, in vergelijking tot de oplegging van reclasseringstoezicht, voor een stevigere stok achter de deur. Verdachte kan dan opnieuw het klinisch traject in en, als dat traject goed verloopt, op den duur uitstromen naar een begeleid wonen-instelling. Gezien de wachtlijsten voor huisvesting in Amsterdam is er op korte termijn geen huisvesting voor verdachte te realiseren. De reclassering acht op basis van bovenstaande bevindingen in combinatie met de wetenschap hoe eerdere hulpverleningstrajecten met verdachte zijn verlopen dat begeleiding in een ambulant kader te ‘licht’ en te risicovol is, aldus de deskundige.
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij graag hulp wil van de reclassering, maar dat hij niet wil dat de ISD-maatregel aan hem wordt opgelegd.
De rechtbank verenigt zich met de conclusies uit voornoemde rapport en neemt het advies van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering over.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 3 juli 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 8 april 2019 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en een maatregel. De in het onderhavige vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregel. Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Blijkens het strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank overweegt dat uit het onderzoek op de zitting is gebleken dat verdachte de eerder opgelegde ISD-maatregel grotendeels ‘kaal’ heeft uitgezeten. Dat heeft verdachte zelf in de hand gewerkt. Verdachte heeft harddrugs gebruikt in de Piet Roorda kliniek en keerde meerdere malen niet terug van verlof. Verdachte is zeer kort na afloop van de ISD-maatregel in december 2018 weer harddrugs gaan gebruiken en heeft zich vervolgens in een kort tijdbestek schuldig gemaakt aan zeven winkeldiefstallen waarbij een grote hoeveelheid goederen is weggenomen, naar eigen zeggen gepleegd om zijn verslaving te bekostigen. Uit het voorgaande is voldoende gebleken dat verdachte zich onvoldoende bereid heeft getoond binnen een dwangkader hulp te accepteren en zijn problemen aan te pakken, terwijl het recidivegevaar wordt ingeschat als hoog. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen ander kader mogelijk dan dat van de ISD-maatregel. De rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden zoals door de raadsman is verzocht, omdat de rechtbank – mede ook in het licht van de verklaring van de deskundige op de zitting – niet het idee heeft dat de reclassering onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de alternatieven voor de ISD-maatregel. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, niet gebleken van redenen om af te zien van deze maatregel. Zij zal daarom de ISD-maatregel opleggen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
De rechtbank zal tot slot bepalen dat het Openbaar Ministerie uiterlijk 8 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.