Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:4811

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juli 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
13-751403-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel Portugal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 juni 2019 de vordering tot overlevering van een persoon aan Portugal op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 31 maart 2016. De opgeëiste persoon, met de Portugese nationaliteit, werd bijgestaan door een raadsman en een tolk.

Het EAB betreft een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van 29 mei 2002, waarbij een vrijheidsstraf van drie jaren is opgelegd wegens meerdere strafbare feiten, waaronder oplichting en vervalsing van documenten. De verdediging voerde aan dat onduidelijk is hoeveel straf nog resteert en dat mogelijk sprake is van verjaring, wat een weigeringsgrond zou kunnen vormen.

De officier van justitie stelde dat alleen de opgelegde straf relevant is en dat Nederland geen rechtsmacht heeft, waardoor verjaring niet aan overlevering in de weg staat. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat aan de voorwaarden van de Overleveringswet is voldaan en geen weigeringsgronden van toepassing zijn.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees erop dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Portugal toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751403-16
RK nummer: 19/1762
Datum uitspraak: 5 juli 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 maart 2016 door
the Circuit Court of Aveiro / Comarca de Aveiro, Portugal en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] , Portugal, op [geboortedag] 1963,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 juni 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsman mr. R.B.M. Poppelaars die daarbij zijn kantoorgenoot mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, verving.
De opgeëiste persoon werd tevens bijgestaan door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij beide verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Portugese nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van 29 mei 2002, gewezen door de
Extinguished Tribunal Judicial de Aveiro-1.o Juízo Criminal, met referentie14/00.0PEAVR-Common Procedure (Collective Court).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid. Dit is ook niet weersproken.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij boven aangeduid vonnis opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van
drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Standpunt raadsmanDe raadsman heeft gesteld dat niet uit het EAB blijkt dat er sprake kan zijn van een reststraf en dat onduidelijk is hoelang de vrijheidsstraf is die de opgeëiste persoon feitelijk nog moet ondergaan. Het kan drie jaar zijn, zoals in het EAB staat, maar ook nog ruim tien maanden, zoals uit de aanvullende informatie van 4 juni 2019 blijkt. Het verschil kan hem zitten in de aftrek van in Portugal doorgebrachte voorlopige hechtenis en/of in de doorwerking van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Niet ondenkbaar is dat aan overlevering de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder e, OLW in de weg staat.
Het vonnis is ruim 17 jaar geleden gewezen en mogelijk is het recht van executie al verjaard. In dat geval komt overlevering in strijd met artikel 9, eerste lid, onder f, OLW, aldus de raadsman.
De opgeëiste persoon heeft verklaard dat zij van 6 januari 2000 tot 4 maart 2002 in Portugal in detentie (voorlopige hechtenis) heeft doorgebracht, waarna haar een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren is opgelegd, waaraan voorwaarden waren gesteld.
Standpunt officier van justitieDe officier van justitie heeft naar voren gebracht dat alleen getoetst wordt aan de opgelegde straf. Aan de bepaling in artikel 7, eerste lid, onder b, OLW is voldaan. De in artikel 9 OLW Pro genoemde weigeringsgronden zijn niet aan de orde. De aanleiding die zal hebben geleid tot een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is niet relevant voor de beoordeling van het EAB. Nederland heeft geen rechtsmacht, nu de opgeëiste persoon niet de Nederlandse nationaliteit heeft en evenmin gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Alleen al om die reden kan de eventuele verjaring van de executie niet aan overlevering in de weg staan.
Oordeel rechtbankDe rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt. Aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onder b, OLW is voldaan. De stelling dat artikel 9, eerste lid, onder e, OLW aan overlevering in de weg staat is niet onderbouwd en doet om die reden al niet af aan het uitgangspunt dat vertrouwen moet worden gesteld in de informatie die de uitvaardigende justitiële autoriteit in een door haar uitgevaardigd EAB verstrekt. De in artikel 9, eerste lid, onder f, OLW bedoelde weigeringsgrond is niet aan de orde nu Nederland geen rechtsmacht heeft over de feiten. Wat de aanleiding is geweest voor een herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling of voor een last tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is niet relevant voor de beslissing over de overlevering.
Het vonnis betreft de dertien feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.
De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:
oplichting
en nummer 23, te weten:
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Portugees recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen en 2, 5 en 7 Overleveringswet.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court of Aveiro / Comarca de Aveiro, Portugal.
Aldus gedaan door
mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en A.R.P.J. Davids, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.