Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De inhoud van de vordering
2.De procesgang
- het vonnis d.d. 13 februari 2018;
- een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering door de officier van justitie aanstonds na de uitspraak op de terechtzitting aan veroordeelde in persoon is uitgereikt;
- een adviesbrief van D. Mau Asam, medewerker adviesteam bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), d.d. 20 december 2018. De WSS heeft op 20 december 2018 een negatieve terugmelding verstuurd naar het Openbaar Ministerie. De RvdK heeft daar een afschrift van ontvangen. Na toetsing van de rapportage van de WSS en op basis van informatie uit het raadsdossier adviseert de RvdK om de voorwaardelijke veroordeling ten uitvoer te leggen in de vorm van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Op 9 juli 2018 heeft de RvdK de rapportage ontvangen van de WSS, waaruit bleek dat veroordeelde zich onvoldoende hield aan de voorwaarden die waren opgelegd binnen de voorwaardelijke PIJ-maatregel. [naam instelling 3] meldde dat er geen sprake meer was van een werkbare situatie. De RvdK heeft op dat moment vraagtekens geplaatst bij de ingezette behandeling binnen [naam instelling 3] . Op 12 juli 2018 vond de voorgeleiding in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging plaats. De vordering werd toegewezen en veroordeelde werd geplaatst in [naam instelling 2] . Op 9 augustus 2018 vond de inhoudelijke behandeling plaats. De RvdK heeft geadviseerd om de beslissing aan te houden omdat aanvullend onderzoek nodig leek. Tevens kon de tijd gebruikt worden om te kijken naar een alternatief plan. De behandeling van de zitting werd vervolgd op 11 september 2018, waar opnieuw besloten is om de beslissing aan te houden. Er werd gewerkt aan een alternatief plan, maar dit was nog onvoldoende concreet.
- een negatieve terugmeldrapportage van [naam] van de WSS. Tijdens het traject van de ITB harde kern zijn er twee momenten geweest waar veroordeelde zich onvoldoende aan de afspraken heeft gehouden. Op 20 november 2018 is om 07:20 uur zijn enkelband uitgevallen, vanwege niet opladen. Na telefonisch contact met de Jeugdreclassering is hij direct gaan opladen om 08:53 uur. Hij was in eerste instantie niet bereikbaar voor de Jeugdreclassering, terwijl dit wel de afspraak is. Dat betekent dat veroordeelde tussen 07:20 uur en 08:53 uur niet in beeld is geweest. Naar aanleiding van deze overtreding heeft veroordeelde een mondelinge waarschuwing gekregen. Op 3 december 2018 was hij 21 minuten te laat thuis. Vanwege deze overtreding heeft veroordeelde een officiële waarschuwing gekregen. Met hem is besproken wat de gevolgen zouden zijn van een volgende overtreding. Op 14 december 2018 is veroordeelde geplaatst in kliniek [naam instelling] van de [naam instelling 4] . Op 19 december 2018 kreeg de WSS het bericht dat veroordeelde bij binnenkomst in FVK [naam instelling] middelen (hasj) heeft meegenomen. De kliniek heeft besloten dat veroordeelde ontslagen moet worden. De WSS adviseert om de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel direct om te zetten in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
- een ontslagbrief van M.J.M.C. Pluis (psycholoog) en T.E.G.A. Oosterhof (GZ-psycholoog en Psychotherapeut, hoofdbehandelaar [naam instelling] ) van forensische verslavingskliniek [naam instelling] d.d. 9 januari 2019. Veroordeelde is van 14 december 2018 tot en met 20 december 2018 in behandeling geweest binnen de [naam instelling] . De urinecontrole bij binnenkomst wijst uit dat veroordeelde cannabis heeft gebruikt, dat heeft hij ook al aangegeven. Op 18 december 2018 worden er tijdens een kamercontrole gebruiksresten gevonden bij veroordeelde. Er worden plastic verpakkingen gevonden met een bruine substantie erin. Een sneltest wijst uit dat het om cannabis gaat. Op 20 december 2018 slaat de drugshond aan op de kamer van veroordeelde. Tevens vertelt een medecliënt dat veroordeelde cannabis zou hebben gegeven aan een groepsgenoot. Een urinetest wijst uit dat de desbetreffende groepsgenoot inderdaad cannabis heeft gebruikt. In eerste instantie zegt deze groepsgenoot zelf de cannabis te hebben meegenomen na verlof. Op 21 december 2018 geeft hij echter toe dat hij de cannabis van veroordeelde heeft gekregen. Op 20 december 2018 wordt veroordeelde ontslagen van behandeling binnen [naam instelling] vanwege het meenemen van cannabis binnen de kliniek. In de kliniek wordt een zero tolerance beleid gehanteerd wat betreft het binnen brengen, bezit en gebruik van middelen in de kliniek. Er kan geen uitspraak gedaan worden of veroordeelde binnen de kliniek gebruikt heeft, om reden dat zijn kreatine waarde bij de laatste urinecontrole laag bleek. Dit kan erop wijzen dat hij de controle heeft willen manipuleren door een grote hoeveelheid water te drinken. Dit kan echter niet met zekerheid worden gezegd.