ECLI:NL:RBAMS:2019:4260
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
28-jarige dochter mag na overlijden moeder huurwoning voortzetten op grond van duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een geschil tussen een 28-jarige dochter en woningcorporatie Ymere over het voortzetten van de huurovereenkomst van een woning die aan de moeder van de dochter was verhuurd. De moeder was in september 2018 overleden. De dochter woonde sinds haar geboorte onafgebroken bij haar moeder en voerde vanaf haar meerderjarigheid een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder, waarbij zij ook zorg verleende.
Ymere weigerde het verzoek van de dochter om de huurovereenkomst op haar naam voort te zetten, stellende dat er geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding maar slechts een afhankelijke zorgrelatie. De rechtbank oordeelde dat de dochter voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, mede gelet op verklaringen van buren, gezamenlijke inrichting van de woning, wederzijdse zorg en een reële bijdrage aan de kosten van de huishouding.
De rechtbank wees de vordering van de dochter toe en veroordeelde Ymere tot betaling van proceskosten. De vordering van Ymere tot ontruiming van de woning werd afgewezen. De uitspraak bevestigt dat een langdurige en wederkerige samenwoning tussen ouder en meerderjarig kind, ook met zorgaspecten, kan kwalificeren als duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
Uitkomst: De 28-jarige dochter mag de huur van de woning voortzetten op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar overleden moeder.