De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 mei 2019 een verzoek tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt. De opgeëiste persoon werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, strafbaar gesteld onder Belgisch recht met een maximumstraf van ten minste drie jaar.
Tijdens de zitting werd de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en bevestigde deze zijn Nederlandse nationaliteit. De raadsvrouw van de verdediging voerde een aanhoudingsverzoek in vanwege onduidelijkheden over de strafmaxima in vergelijkbare zaken, maar dit verzoek werd door de rechtbank afgewezen wegens onvoldoende aanleiding tot twijfel.
De rechtbank oordeelde dat de strafbare feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn, waardoor aan de voorwaarden van de Overleveringswet is voldaan. Tevens werd een garantie van de Belgische autoriteiten aanvaard dat, indien de opgeëiste persoon in België onvoorwaardelijk wordt veroordeeld, hij de straf in Nederland zal ondergaan. De onschuldverweren van de opgeëiste persoon konden de overlevering niet verhinderen.
Op basis van deze overwegingen en het ontbreken van weigeringsgronden werd de overlevering toegestaan. Tegen deze beslissing is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.