Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 mei 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2019.
Rechtbank Amsterdam
Eiser heeft een tweede WW-uitkering aangevraagd naast zijn lopende WW-uitkering vanwege verloren arbeidsuren na het beëindigen van een tijdelijk dienstverband. Verweerder heeft het dagloon van beide uitkeringen aangepast en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft beoordeeld of de dagloonreferteperiode en de toegepaste deling bij de berekening van het tweede WW-recht juist zijn vastgesteld. Hierbij is vastgesteld dat de referteperiode correct loopt van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017, en dat rekening is gehouden met de niet gewerkte maanden door het aantal dagen te verminderen van 261 naar 196.
Verder is geoordeeld dat het tweede WW-recht terecht als inkomen (E-factor) is aangemerkt voor het eerste WW-recht, conform artikel 3:3, zevende lid, van het Inkomensbesluit. De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat dit als ‘inkomen uit arbeid’ of ‘inkomen in verband met arbeid’ anders beoordeeld zou moeten worden.
Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van eiser ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien voor een vergoeding van griffierecht of proceskosten. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van een onjuiste toepassing van de wet of strijd met de bedoeling van de wetgever.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit tot aanpassing van het dagloon en de korting van de tweede WW-uitkering op het eerste WW-recht wordt ongegrond verklaard.