De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 april 2019 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Hof van beroep Antwerpen. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar wegens oplichting en verduistering, waarvan nog 730 dagen resteren.
De verdachte voerde verzet tegen de overlevering met het argument dat de zaak onherroepelijk was en dat hij geen verzetprocedure kon instellen. De rechtbank stelde vast dat er een onvoorwaardelijke verzetgarantie was gegeven door de Belgische autoriteiten, waardoor de verdachte alsnog de mogelijkheid heeft om verzet aan te tekenen. Hierdoor werd de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, OLW niet van toepassing verklaard.
Verder werd vastgesteld dat de feiten strafbaar zijn volgens Nederlands recht en dat de terugkeergarantie is gegeven dat de straf in Nederland kan worden uitgezeten. De rechtbank verwierp het bezwaar dat de straf deels op Nederlands grondgebied zou zijn gepleegd en stond op grond van artikel 13, tweede lid, OLW af van de weigeringsgrond. De overlevering werd daarom toegestaan en er is geen gewoon rechtsmiddel tegen deze beslissing mogelijk.