ECLI:NL:RBAMS:2019:3520

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2019
Publicatiedatum
16 mei 2019
Zaaknummer
13/684485-18 + 13/156543-15 (TUL)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 38v SrArt. 36f SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens belaging ex-vriendin met gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid hennepbezit

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor belaging van zijn ex-vriendin door hem stelselmatig en opzettelijk haar persoonlijke levenssfeer te schenden in de periode van 17 juli 2017 tot en met 5 september 2018. Verdachte benaderde haar herhaaldelijk op straat, bij haar woning, werk en de school van hun kind, en stuurde talrijke berichten, ondanks haar duidelijke wens geen contact meer te hebben.

De vervolging voor het bezit van 665 gram hennep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de hennep afkomstig was van vier planten, wat volgens de Aanwijzing Opiumwet niet leidt tot vervolging. Verdachte ontkende niet de contacten met aangeefster en verklaarde dat zijn handelen voortkwam uit zijn behoefte contact te houden vanwege hun kind.

De rechtbank legde een taakstraf van 180 uur op, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een contact- en locatieverbod van vijf jaar. Tevens werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf, 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd en 5 jaar contact- en locatieverbod; vervolging voor hennepbezit niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS
Parketnummers: 13/684485-18 + 13/156543-15 (TUL)
Datum uitspraak: 8 mei 2019
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het [BRP-adres]
.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 april 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. Duker, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. Maat, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat de raadsvrouw van de benadeelde partij [aangeefster] , mr. L.A. Korfker, naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2014 tot en met 5 september 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
  • meermalen voornoemde [aangeefster] op straat aan te spreken en/of
  • meermalen brieven naar het huisadres van voornoemde [aangeefster] te sturen
en/of
  • meermalen bij de woning van voornoemde [aangeefster] aan te bellen en/of
  • meermalen met voornoemde [aangeefster] telefonisch contact te zoeken en/of
  • zich meermalen op te houden in de buurt van de woning van voornoemde
[aangeefster] en/of
- aldus door de houding en/of wijze van optreden van verdachte jegens
voornoemde [aangeefster] bij die [aangeefster] de notie opgewekt dat zij niet
vrij is in haar doen en laten en/of
- zich meermalen, althans eenmaal op te houden bij de school van het kind van
voornoemde [aangeefster] en/of
- zich meermalen, althans eenmaal, bij de werkplek van voornoemde [aangeefster]
op te houden en/of
- voornoemde [aangeefster] (talrijke) sms-berichten en/of emailberichten te
sturen
met het oogmerk voornoemde [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te
doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.

hij op of omstreeks 06 november 2018 te Amsterdam, in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 665 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3. Voorvragen
3.1
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu in de woning van verdachte slechts vier hennepplanten zijn aangetroffen en er dus geen sprake is geweest van een beroeps- of bedrijfsmatige teelt. De raadsvrouw heeft verwezen naar de Aanwijzing Opiumwet, waarin onder punt 4 is opgenomen dat de grens van wat gedoogd wordt bij de verkoop van hennepproducten door coffeeshops gesteld is op maximaal 5 gram en dat het in de rede ligt eenzelfde grens te hanteren voor het aanwezig hebben van hennepproducten. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een hoeveelheid van vijf planten of minder in beginsel wordt aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Deze situatie wordt gelijk behandeld als de situatie waarin wordt geconstateerd dat sprake is van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.
In geval van het aanwezig hebben van hoeveelheden tot en met 5 gram hennep wordt in beginsel niet opgespoord en vervolgd, wat ook moet gelden voor de teelt van maximaal vijf hennepplanten. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar een arrest van de Hoge Raad [1] waarin de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de Aanwijzing Opiumwet blijkt dat in beginsel niet wordt opgespoord en vervolgd ter zake van het aanwezig hebben van hoeveelheden tot en met 5 gram hennep, maar dat in de woning van verdachte 665 gram is aangetroffen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De op het onderhavige geval van toepassing zijnde Aanwijzing Opiumwet van 1 maart 2015 dient blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad zo te worden uitgelegd dat – behoudens door het Openbaar Ministerie te stellen en aannemelijk te maken bijzondere omstandigheden – bij een hoeveelheid hennep afkomstig van vijf planten in beginsel wordt aangenomen dat er sprake is van niet beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Bij de ontdekking hiervan dient een politiesepot te volgen, mits tijdig afstand is gedaan van het inbeslaggenomen plantenmateriaal, ongeacht de hoeveelheid of het gewicht van de met die teelt verkregen of te verkrijgen opbrengst van voor consumptie geschikte hennep.
In de woning van verdachte is totaal 655 gram hennep aangetroffen. Verdachte heeft onmiddellijk verklaard dat de in zijn woning aangetroffen hennep afkomstig was van vier hennepplanten. De politie heeft geen nader onderzoek gedaan naar die verklaring.
Nu de verklaring van verdachte – inhoudende dat de aangetroffen hennep afkomstig was van zijn vier hennepplanten –niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie verdachte in strijd met de Aanwijzing Opiumwet heeft vervolgd.
De rechtbank zal de officier van justitie daarom ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte.
3.2
De geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank en schorsing van de vervolging
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
4. Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden. Zij heeft daartoe de in haar ogen relevante bewijsmiddelen opgesomd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partiële vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte vanaf 2014 stelselmatig contact heeft gezocht met aangeefster, de ex-vriendin van verdachte, maar dat zijn gedragingen pas wederrechtelijk werden in maart 2018. Aangeefster heeft immers toen pas tegenover de politie verklaard dat zij wilde dat verdachte geen contact meer met haar zocht. De raadsvrouw heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaarde periode dient te worden beperkt tot 22 maart 2018 tot en met 5 september 2018.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op basis van het dossier en de behandeling ter zitting van 24 april 2019 uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Aangiftes
Aangeefster heeft op 22 maart 2018 aangifte gedaan en een klacht ingediend tegen verdachte, haar ex-vriend. Op 12 juli 2018 en 6 september 2018 heeft aangeefster bij de politie aanvullende verklaringen afgelegd.
Zij heeft onder meer verklaard dat zij in 2011 een relatie kreeg met verdachte, dat zij op 10 december 2011 samen zoon [naam zoon] hebben gekregen en dat zij in 2012 uit elkaar zijn gegaan.
Ook heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar sindsdien nooit met rust heeft gelaten.
Na beëindiging van de relatie werd zij lastig gevallen door verdachte in/bij haar woning, werk, de opvang van [naam zoon] en later de school van [naam zoon] .
Zij heeft vanaf maart 2018 tot 6 september 2018 een logboek bijgehouden met betrekking tot de gedragingen van verdachte. Verdachte verscheen meerdere malen bij haar huis, bonkte dan op de deur, riep door de brievenbus en gooide daar handgeschreven brieven in. Verdachte heeft haar ook gevolgd tot aan de bushalte. Daarnaast heeft verdachte haar talrijke e-mail- en WhatsAppberichten verstuurd. Aangeefster heeft naar eigen zeggen in de afgelopen jaren 850 berichten van verdachte gekregen. Aangeefster heeft in 2013 twee keer aangifte gedaan van mishandeling door verdachte.
Op 14 mei 2018 heeft aangeefster een aangetekende brief aan verdachte gestuurd waarin kort samengevat staat dat zij alle wijzen van contact, uitgezonderd noodzakelijke telefonische contacten en een normale briefwisseling, als een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer ziet.
Op 1 juni 2018 heeft T-Mobile een klacht van aangeefster ontvangen over telefonische overlast door de eigenaar van het mobiele [nummer] (het telefoonnummer van verdachte). De telecomprovider heeft de eigenaar schriftelijk gevraagd niet meer naar aangeefster te bellen.
Daarnaast heeft aangeefster e-mailberichten, handgeschreven brieven van verdachte, een lijst van telefoongesprekken, (niet gedateerde) filmpjes waarop verdachte voor haar deur stond en voicemail-berichten aan de politie overgelegd.
Uit telecom-onderzoek door de politie is gebleken dat verdachte in de periode van 21 april 2018 tot en met 31 augustus 2018 1828 keer contact heeft opgenomen met het telefoonnummer van aangeefster. In die periode zou aangeefster slechts één keer contact hebben gezocht met het telefoonnummer van verdachte.
Aangeefster is constant bang en heeft psychische klachten door de belaging, waardoor ze zes maanden in de Ziektewet heeft gezeten.
Verklaring aangeefster ter zitting
Ter zitting is aangeefster als getuige gehoord. Aangeefster heeft ter zitting verklaard dat verdachte en zij sinds de geboorte van hun zoon [naam zoon] constant ruzie hebben. Ze heeft verklaard dat ze constant last heeft gehad van verdachte, maar dat het niet altijd op alle vlakken tegelijk was. Ze heeft verklaard dat ze meerdere malen tegen verdachte heeft gezegd dat hij haar met rust moest laten, maar dat ze desondanks – omwille van hun zoon – af en toe met verdachte afsprak. Aangeefster heeft verder verklaard dat ze er ongeveer twee jaar geleden helemaal klaar mee was.
Verklaring verdachte ter zitting
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat hij en aangeefster veel ruzies hebben gehad, maar dat hij contact is blijven zoeken vanwege [naam zoon] . Hij ontkent niet dat hij aangeefster vaak heeft gebeld en veel brieven heeft gestuurd. Verdachte heeft ook verklaard dat hij een keer naar het werk van aangeefster is geweest en dat hij wel eens heeft aangebeld bij haar woning.
Beoordelingskader belaging
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of er sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), verschillende factoren van belang zijn: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank acht op grond van de inhoud van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meermalen aangeefster op straat heeft geprobeerd aan te spreken, haar brieven heeft gestuurd, bij haar woning heeft aangebeld en geprobeerd heeft telefonisch met aangeefster in contact te komen. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich meermalen heeft opgehouden in de buurt van de woning van aangeefster, dat door de houding van verdachte tegenover aangeefster, zij het gevoel heeft gekregen dat zij niet vrij was in haar doen en laten, en dat verdachte zich meermalen voor de school van hun zoon [naam zoon] heeft opgehouden. De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte eenmaal naar de werkplek van aangeefster is geweest en dat hij aangeefster talrijke sms-berichten en e-mailberichten heeft verstuurd.
Conclusie
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat, gezien voornoemde criteria, sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Alle bewezen geachte handelingen, in onderling verband beschouwd, zijn dermate stelselmatig dat sprake is van belaging.
Verdachte heeft met zijn handelen aangeefster gedwongen te dulden dat telkens contact met haar werd opgenomen terwijl zij geen contact meer wilde met verdachte.
De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster, door haar te dwingen de ongewenste gedragingen van verdachte te dulden.
Periode
Ten aanzien van het verweer met betrekking tot de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank het volgende.
Aangeefster heeft ter zitting verklaard dat zij in de ten laste gelegde periode meerdere malen geprobeerd heeft om omwille van hun zoon contact te onderhouden met verdachte. De rechtbank stelt vast dat aangeefster op 23 maart 2018 bij de politie heeft verklaard dat zij in de periode van 17 juli 2017 tot en met 16 december 2017 meerdere dreigmails heeft ontvangen van verdachte. Aangeefster heeft verder op de zitting verklaard dat voor haar twee jaar geleden de beslissing viel dat zij geen contact meer wilde met verdachte. Aangeefster heeft dit naar eigen zeggen destijds meerdere malen aan verdachte laten weten.
De rechtbank stelt weliswaar vast dat aangeefster vanaf 2014 stelselmatig door verdachte is benaderd, maar uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is het de rechtbank niet duidelijk geworden op welke manier deze contacten tot stand zijn gekomen en wat de inhoud van deze contacten is geweest. De rechtbank heeft onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen wat er in de periode van 30 augustus 2014 tot 17 juli 2017 feitelijk is gebeurd.
Het stelselmatig benaderen van aangeefster door verdachte is daarna doorgegaan, maar vanaf 17 juli 2017 krijgt dit een ander karakter. Gezien de inhoud en de hoeveelheid van de dreigmails vanaf 17 juli 2017 neemt de rechtbank dit als startpunt voor de ten laste gelegde periode.
De rechtbank is van oordeel dat het voor verdachte – mede gezien de inhoud van de
dreigmails – duidelijk moet zijn geweest dat zijn handelen een wederrechtelijk karakter had en dat aangeefster geen enkel contact meer met hem wilde.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten aanzien van de periode partieel dient te worden vrijgesproken. De bewezenverklaarde periode wordt beperkt tot de periode van 17 juli 2017 tot en met 5 september 2018.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
in de periode van 17 juli 2017 tot en met 5 september 2018 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
  • meermalen voornoemde [aangeefster] op straat aan te spreken en
  • meermalen brieven naar het huisadres van voornoemde [aangeefster] te sturen en
  • meermalen bij de woning van voornoemde [aangeefster] aan te bellen en
  • meermalen met voornoemde [aangeefster] telefonisch contact te zoeken en
  • zich meermalen op te houden in de buurt van de woning van voornoemde [aangeefster] en
  • aldus door de houding en wijze van optreden van verdachte jegens voornoemde [aangeefster] bij die [aangeefster] de notie op te wekken dat zij niet vrij is in haar doen en laten en
  • zich meermalen op te houden bij de school van het kind van voornoemde [aangeefster] en
  • zich eenmaal bij de werkplek van voornoemde [aangeefster] op te houden en
  • voornoemde [aangeefster] talrijke sms-berichten en e-mailberichten te
sturen
met het oogmerk voornoemde [aangeefster] , te dwingen iets te dulden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straffen en maatregelen
9.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 210 uur met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr Pro. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr voor de duur van 5 jaar aan verdachte wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod. Ze heeft gevorderd deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte daarnaast zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met een proeftijd van 2 jaar met daaraan de bijzondere voorwaarden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd.
9.2
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht rekening te houden met de door haar bepleite kortere pleegperiode ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsvrouw heeft verder verzocht geen vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr voor de duur van 5 jaar aan verdachte op te leggen. De raadsvrouw heeft verklaard dat verdachte bereid is om zich, in geval een voorwaardelijke straf wordt opgelegd, aan bijzondere voorwaarden te houden.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft aangeefster sinds juli 2017 intensief belaagd. Ondanks het feit dat aangeefster aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij geen contact met hem wilde, heeft hij haar meermalen op straat aangesproken, heeft hij meermalen brieven naar haar woning verstuurd, bij haar woning aangebeld, telefonisch contact gezocht met aangeefster, zich in de buurt van haar woning en de school van hun kind opgehouden. Verdachte heeft door zijn houding jegens aangeefster de notie opgewekt dat zij niet vrij was in haar doen en laten. Hij heeft aangeefster ook lastig gevallen op haar werk en heeft haar meermalen talrijke sms- en e-mailberichten verstuurd. De manier waarop verdachte aangeefster belaagde maakte zodanig veel indruk op aangeefster dat zij leefde in angst. Hij heeft met zijn gedragingen stelselmatig opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hij handelde daarbij naar eigen zeggen vanuit zijn eigen behoefte om zijn gevoelens richting aangeefster te uiten en om in contact te komen met [naam zoon] . Aangeefster heeft hem meerdere malen duidelijk gemaakt dat zij geen contact meer met hem wilde hebben. Verdachte heeft haar wens niet gerespecteerd.
De rechtbank heeft acht geslagen op het voortgangsverslag van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 4 februari 2019, opgemaakt door J. Haringa en A. Calis. Hieruit volgt onder meer dat het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld, omdat verdachte naar eigen zeggen nog veel last heeft van een trauma als gevolg van een mishandeling die gepleegd zou zijn door de broers van aangeefster. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, houden aan de aanwijzingen van de reclassering en een contact- en locatieverbod. Verdachte was gestart met een behandeling voor zijn onverwerkte emoties, maar is daarmee voortijdig gestopt. Op de zitting heeft de raadsvrouw van verdachte verklaard dat er op dit moment nog een artikel 12 Sv Pro-procedure inzake voornoemde mishandeling bij het Gerechtshof Amsterdam aanhangig is en dat behandeling van de problematiek van verdachte pas effectief kan zijn als die procedure is afgerond. Dit volgt ook uit voornoemd voortgangsverslag van de reclassering. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank geen behandelverplichting aan verdachte opleggen.
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 26 maart 2019 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor belaging.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het oordeel inzake feit 2 en alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van 2 jaar, recht doen aan het door verdachte gepleegde strafbare feit. De rechtbank zal aan de proeftijd de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank zal ook ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van het opnieuw plegen van strafbare feiten vrijheidsbeperkende maatregelen, te weten een contact- en locatieverbod, als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 jaar opleggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich ten tijde van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis niet aan het aan hem in het kader van de schorsing opgelegde contactverbod gehouden. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, zal de rechtbank het contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar verklaren.
10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [aangeefster] vordert als gevolg van het onder 1 laste gelegde feit
€ 6.350,06 aan materiële schadevergoeding en € 7.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade ziet op de advocaatkosten die zijn gemaakt met betrekking tot een civiele procedure voor het verkrijgen van een contactverbod met verdachte (€ 1.240,00), een reiskostenvergoeding (€ 110,06) en een vergoeding voor toekomstige schade (€ 5.000,00).
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, met uitzondering van de gevorderde vergoeding voor toekomstige schade (€ 5.000,00). De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor het gedeelte waarvoor wel toewijzing is gevorderd, vordert de officier van justitie vermeerdering met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de toekomstige schade niet te voorzien is. Verder heeft ze verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen, gelet op de kortere pleegperiode.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde toekomstige schade niet in de vordering kan worden ontvangen. De vordering is op dat punt onvoldoende onderbouwd en het alsnog nader laten onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De bedragen € 1.240,00 voor advocaatkosten en € 110,06 voor reiskosten komen als materiële schade voor vergoeding in aanmerking.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij op grond van wat de benadeelde partij heeft aangevoerd over de impact die de belaging op haar heeft gehad en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, een immateriële schadevergoeding van € 2.000,00 billijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 17 juli 2017.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
In het belang van [aangeefster] wordt, als extra waarborg voor betaling van het schadevergoedingsbedrag van € 3.350,06 aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
11. Beslag
Blijkens de beslaglijst is het volgende goed inbeslaggenomen:
1 STK Zaktelefoon APPLE IPHONE (5657476)
De officier van justitie heeft gevorderd de telefoon te onttrekken aan het verkeer, nu het onder 1 bewezen geachte feit is begaan met behulp van dat voorwerp.
De raadsvrouw heeft verzocht de teruggave van de inbeslaggenomen telefoon aan verdachte te gelasten.
De rechtbank zal de inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaren, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 1 bewezen geachte is begaan.
12. De vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 23 november 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/156543-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 december 2016 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen.
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vordering om te zetten naar een taakstraf.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het niet wenselijk dat verdachte opnieuw in detentie zal verblijven. Zij zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven, gelasten dat veroordeelde een taakstraf van 60 uren moet verrichten.
13. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 38z, 285b van het Wetboek van Strafrecht.
14. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
belaging.
Verklaart het
bewezenestrafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van
180 (honderdtachtig) uur, met bevel dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van 2 (twee) uur per dag.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf,voor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde
1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
Meldplicht
De veroordeelde moet zich binnen 5 (vijf) werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam op het adres [adres 1] . Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verder dient de veroordeelde zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, ook als dit inhoudt dat de veroordeelde een behandeling moet volgen bij de Waag of soortgelijke instelling, zo lang en zo vaak als de reclassering dit nodig acht.
Geeft opdracht aan GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Legt opde maatregel dat de veroordeelde voor de duur van
5 (vijf) jaar:
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedag 2] 1978 te [geboorteplaats 2] en
zich niet zal ophouden binnen een straal van 100 (honderd) meter van het navolgende adres: [adres 2] .
Beveelt datde vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
1 (één) weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting om te voldoen aan de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [aangeefster] , beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Wijst toede vordering van de benadeelde partij [aangeefster] tot een bedrag van € 3.350,06, (drieduizend driehonderdvijftig euro en zes eurocent) bestaande uit € 1.350,06 (duizenddriehonderdvijftig euro en zes eurocent) aan materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 juli 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [aangeefster] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaartde benadeelde partij [aangeefster] in het overige deel van de vordering
niet-ontvankelijk, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Legt opaan verdachte de verplichting ten behoeve van [aangeefster] , een bedrag van € 3.350,06 (drieduizend driehonderdvijftig euro en zes eurocent) bestaande uit € 1.350,06 (duizenddriehonderdvijftig euro en zes eurocent) aan materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 juli 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 43 (drieënveertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart verbeurd:
1 STK Zaktelefoon APPLE IPHONE (5657476).
Gelast -in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van één maand bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 december 2016 (parketnummer 13/156543-15) - een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid,van
60 (zestig) uren,met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,
mrs. L. Voetelink en I. Mannen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 mei 2019.