De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het gezag van de moeder over haar ongeboren kind te beëindigen en de William Schrikker Stichting tot voogd te benoemen, vanwege zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van het kind. De ouders hebben een verstandelijke beperking en hebben eerder al gezag verloren over zeven andere kinderen die uit huis geplaatst zijn. De Raad baseerde het verzoek mede op eerdere negatieve ervaringen en een rapport uit 2016 dat aangaf dat de moeder niet sensitief kan reageren vanwege haar beperking.
De moeder en haar advocaat bestreden het verzoek en stelden dat de situatie nu wezenlijk anders is. De moeder verblijft in een gespecialiseerde voorziening met 24-uurs zorg en ontvangt intensieve begeleiding. Er is sprake van een positieve ontwikkeling en openheid naar hulpverlening. De rechtbank nam hierbij ook het VN Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap in acht, dat passende hulp aan ouders met een beperking voorschrijft.
De rechtbank concludeerde dat een verstandelijke beperking op zich geen reden is voor falend ouderschap en dat de beschermende factoren, zoals de hulpverlening en het sociale netwerk, voldoende zijn om het gezag te handhaven. Ook was onduidelijk waar het kind geplaatst zou worden bij beëindiging van het gezag. Daarom werd het verzoek tot beëindiging van het gezag afgewezen.