ECLI:NL:RBAMS:2019:3275

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2019
Publicatiedatum
6 mei 2019
Zaaknummer
AMS 18/5402
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling aanvraag omgevingsvergunning

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 7 mei 2019 uitspraak gedaan in een geschil tussen de besloten vennootschap Rotteveel M4 B.V. en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Eiseres, Rotteveel M4 B.V., had een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw van werkplaats naar detailhandel. De aanvraag werd door verweerder buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat volgens verweerder noodzakelijke gegevens ontbraken. Eiseres was het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet in redelijkheid tot de buitenbehandelingstelling van de aanvraag had kunnen komen. De rechtbank stelde vast dat verweerder eiseres in de gelegenheid had moeten stellen om aanvullende gegevens in te dienen of de aanvraag inhoudelijk had moeten beoordelen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. Verweerder werd opgedragen om binnen tien weken na de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij het primaire besluit moest worden herroepen en inhoudelijk op de aanvraag moest worden beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan eiseres.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij de behandeling van aanvragen en de verplichting van bestuursorganen om aanvragers de kans te geven om ontbrekende gegevens aan te leveren voordat een aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. De rechtbank heeft in deze zaak ook verwezen naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/5402

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2019 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Rotteveel M4 B.V., te Alkmaar, eiseres

(gemachtigde: mr. R.A.M. Schram),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder
(gemachtigde: mr. J. Aznag).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag.
Bij besluit van 1 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en een dwangsom vanwege het niet-tijdig beslissen toegekend.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2019.
Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [de persoon] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Beroep van eiseres tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar
1. Nu verweerder bij het bestreden besluit heeft beslist op het bezwaar van eiseres en niet is gebleken dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, zal de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Aanleiding voor deze procedure
2. Op 26 januari 2018 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van het gebouw aan de [adres] te Amsterdam van werkplaats naar detailhandel. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het beoogde gebruik niet in strijd is met [het bestemmingsplan] . Volgens eiseres is er daarom geen omgevingsvergunning vereist en dient de aanvraag niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. Bij brief van 21 maart 2018 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat noodzakelijke gegevens ontbreken en eiseres verzocht de gevraagde gegevens alsnog op te sturen. Wanneer de aanvullende gegevens niet binnen 42 dagen worden verstrekt wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten.
4. Bij brief van 28 maart 2018 heeft eiseres hierop gereageerd. Eiseres zal de gevraagde gegevens niet aanleveren omdat zij van mening is dat het aangevraagde gebruik niet in strijd is met de planologische regels. Zij kan zich niet vinden in het standpunt van verweerder dat de aanvraag buiten behandeling zou moeten worden gelaten of zou moeten worden afgewezen. Verweerder hoeft de 42-dagentermijn van eiseres niet af te wachten en kan direct beslissen op de aanvraag.
5. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb niet in behandeling genomen.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Standpunten partijen
7. Eiseres vindt het onbegrijpelijk dat het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag ongegrond is verklaard, omdat er geen aanvullende gegevens zijn verstrekt op grond van artikel 3.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht. Zij benadrukt dat er geen aanleiding is om deze gegevens te vragen, omdat dit artikel niet van toepassing is. Eiseres geeft aan dat zij geen aanvullende gegevens heeft aangeleverd, omdat verweerder in zijn brief van 21 maart 2018 al had beslist dat hij de aanvraag zou afwijzen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld.
Wettelijk kader
8. In artikel 4:2, eerste lid, van de Awb staat dat de aanvraag wordt ondertekend en ten minste bevat:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.
In artikel 4:2, tweede lid, van de Awb staat dat de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
9. Op grond van artikel 4:5 van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Het oordeel van de rechtbank
10. De toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb is een discretionaire bevoegdheid. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.
11. De rechtbank stelt vast dat in de brief van verweerder van 21 maart 2018, met als onderwerp “Verzoek om aanvullende gegevens”, op pagina 1 staat dat de termijn waarbinnen verweerder een besluit moet nemen wordt opgeschort, omdat de aanvraag van eiseres niet compleet is. Eiseres heeft 42 dagen de tijd om de ontbrekende gegevens aan te leveren en het plan aan te passen. Verweerder heeft in de bijlage bij deze brief aangegeven dat het plan van eiseres al aan het bestemmingsplan en de beleidsregels is getoetst. Op pagina 5 van deze bijlage schrijft verweerder het volgende: “Wij geven u in overweging de aanvraag niet aan te vullen waardoor de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Ook kunt u de aanvraag zelf intrekken. Indien u de aanvraag aanvult zullen wij een negatief besluit nemen op uw aanvraag voor een omgevingsvergunning”.
12. De rechtbank vindt de inhoud van de brief van 21 maart 2018 tegenstrijdig, gelet op hetgeen hiervoor in deze uitspraak is geciteerd in rechtsoverweging 11. De rechtbank oordeelt dat verweerder eiseres in de gelegenheid had moeten stellen om aanvullende gegevens in te dienen of de aanvraag inhoudelijk had moeten beoordelen. Nu heeft verweerder beide gedaan, zonder dat voor eiseres kenbaar was dat het inhoudelijke oordeel slechts als voorlopig was bedoeld. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 5 juli 2006. [1]
13. De rechtbank oordeelt daarom dat verweerder niet in redelijkheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag heeft kunnen komen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank oordeelt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen waarbij het primaire besluit wordt herroepen en inhoudelijk op de aanvraag wordt beslist. Verweerder dient aan te geven welke stukken hij van eiseres nodig heeft voor de beoordeling van de aanvraag en dient in overleg met eiseres te bepalen of het houden van een tweede hoorzitting noodzakelijk is. Verweerder dient bij het nieuwe besluit de proceskosten in bezwaar aan eiseres te vergoeden (1 punt voor het indienen van het bezwaar en 1 punt voor de hoorzitting). Afhankelijk van de vraag of een tweede hoorzitting wordt gehouden dient een extra punt te worden toegekend.
Conclusie
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.152,-, (1 punt voor het indienen voor het beroepschrift wegens niet-tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,25, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.152,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, en mr. J.H.M. van de Ven en mr. A.C. Loman, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:RVS:2006:AY0399, rechtsoverweging 2.5.3.