ECLI:NL:RBAMS:2019:3161

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2019
Publicatiedatum
1 mei 2019
Zaaknummer
13/751660-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor tenuitvoerlegging vrijheidsstraf wegens illegale drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Hannover. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 1 jaar en 10 maanden wegens illegale handel in verdovende middelen.

Tijdens de procedure werd onderzocht of de opgeëiste persoon correct was geïnformeerd en of de omzetting van een voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke straf rechtmatig was verlopen. De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon in persoon was verschenen bij het proces in Duitsland en dat noch de aard noch de duur van de oorspronkelijke straf was gewijzigd. De verdediging voerde aan dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de omzetting van de straf, maar dit werd door de rechtbank verworpen op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden van toepassing waren, dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat de straf betrekking had op een feit dat voorkomt op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet. Daarom werd de overlevering toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de straf op het grondgebied van Duitsland.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering toe van de opgeëiste persoon aan Duitsland voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf wegens illegale drugshandel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751660-18
RK nummer: 18/5775
Datum uitspraak: 26 maart 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juni 2018 door de
Staatsanwaltschaft Hannover(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Sierra Leone) op [geboortedag] 1982,
verblijvend op het adres [verblijfadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 13 november 2018
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en medegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 27 november 2018.
Tussenuitspraak 27 november 2018
Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken de hierna opgenomen vragen met betrekking tot – kort gezegd – het vonnis dat aan het EAB ten grondslag ligt, te beantwoorden:
1.
Is de opgeëiste persoon bij vonnis van 24.08.2016 door de rechtbank Hannover veroordeeld tot een voorwaardelijke, een onvoorwaardelijke of een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf?
2.
Welke beslissing ligt ten grondslag aan het aanhoudingsbevel van 23.04.2018 (6031 Js 98447/15)?
3.
Door welke autoriteit en op welke datum is de beslissing, bedoeld vraag 2, genomen?
4.
a. Zijn in de beslissing, bedoeld in vraag 2, de aard en/of duur van de bij vonnis van 24.08.2018 uitgesproken straf gewijzigd, en:
b. Beschikte de bevoegde autoriteit daarbij over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid?
5.
Indien het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, was de opgeëiste persoon, conform artikel 4 bis Pro van het Kaderbesluit EAB, lid 1 a tot en met d, in persoon gedagvaard om ter zitting te verschijnen, dan wel in persoon aanwezig tijdens de behandeling, dan wel vertegenwoordigd door een advocaat ter zitting die tot die beslissing tot tenuitvoerlegging heeft geleid, en/of geïnformeerd omtrent de hem ten dienste staande rechten van verzet of hoger beroep?
Zitting 12 maart 2019
De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 12 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door zijn raadsman.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de nationaliteit van Sierra Leone heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Aanhoudingsbevel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Hannover van 23 april 2018 (dossiernummer 6031 Js 98447/15) en een vonnis van de Arrondissementsrechtbank Hannover (Landgericht Hannover) van 24 augustus 2016 (70 KLs Js 98447/15.
De
Staatsanwaltschaft Hannoverheeft bij e-mail van 5 februari 2019 de hiervoor genoemde vragen van de rechtbank beantwoord:
1.
The court of Hannover on 24th of August 2016 issued a conditional prison sentence (suspended sentence) (only)
2.
The conditional suspension has been revoked by the same court of Hannover on 2nd November 2017
3.
See question 2
4.
a. The conditional suspension of the prison sentence has been revoked. The duration of the prison sentence (originally: 1 year 10 month) has not been changed.b. The decision of the revocation is obligatory in three enumerated cases (here: violation of the conditions of the probation)
5.
---
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB dient de opgelegde straf nog in het geheel te worden uitgezeten.
Echter, op verzoek van de officier van justitie heeft de
Staatsanwaltschaft Hannoverbij e-mail van 1 november 2018 onder meer medegedeeld:
(…)
The time of imprisonment (225 days) will automatically reduce his remaining sentence once he is imprisoned again to about 1 year and two month. The exact calculating of the remaining sentence in days depend on the month of the arrest (30 or 31 days) and cannot yet be provided.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
3.1.1.
Inhoud van de stukken
Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:
Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:
[X] Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing
(…)
3.1.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de onder 3 opgenomen e-mail van de
Staatsanwaltschaft Hannovervan 5 februari 2019 weliswaar voor enige duidelijkheid heeft gezorgd, maar dat nog steeds niet blijkt op grond waarvan en op welke wijze de omzetting heeft plaatsgevonden. Aldus dient de overlevering te worden geweigerd.
3.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro – gelet op de hiervoor vermelde informatie uit het EAB die overeenkomt met de verklaring die de opgeëiste persoon bij zijn voorgeleiding op dit punt heeft afgelegd – niet aan de orde is.
Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is ten aanzien van de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf, volgt de rechtbank hem daarin niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) heeft in een uitspraak van 22 december 2017 (C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026, Ardic) bepaald dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, EVRM en evenmin onder de reikwijdte van art. 4 bis Pro Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, voor zover noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf is gewijzigd. Uit de mededelingen van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat noch de aard noch de duur van de oorspronkelijke straf is gewijzigd. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Staatsanwaltschaft Hannoverten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en E. Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 maart 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.