Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:3012

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 april 2019
Publicatiedatum
25 april 2019
Zaaknummer
13/752075-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegale handel in cocaïne

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 april 2019 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Staatsanwaltschaft Düsseldorf. Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek naar de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het transport van 200,8 kilo cocaïne via een container van Peru naar Duitsland.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. De inhoud van het EAB werd beoordeeld op genoegzaamheid; de rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende informatie bevat over tijd, plaats en mate van betrokkenheid, ondanks het verweer van de raadsman dat de beschrijving te summier was.

De strafbaarheid van het feit is erkend, aangezien het om een feit uit bijlage 1 van de Overleveringswet gaat, namelijk illegale handel in verdovende middelen. De Duitse autoriteiten gaven de garantie dat bij een veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgevoerd. Het onschuldverweer van de opgeëiste persoon werd verworpen. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan omdat aan alle wettelijke vereisten was voldaan en geen weigeringsgronden aanwezig waren.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe wegens betrokkenheid bij illegale handel in cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752075-18
RK nummer: 19/494
Datum uitspraak: 25 april 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 juli 2018 door
de Staatsanwaltschaft Düsseldorf (Duitsland)en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (China) op [geboortedag] 1956
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 april 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

3.1.
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel, uitgevaardigd op 3 juni 2008 door het Amtsgericht Düsseldorf, met referentie 151 Gs 1379/08.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.2.
Genoegzaamheid van de stukken
De raadsman heeft aangevoerd dat de stukken ongenoegzaam zijn nu de betrokkenheid van de opgeëiste persoon te summier is omschreven en in het EAB staat vermeld dat nog niet precies is komen vast te staan in welke mate de opgeëiste persoon betrokken was. Bovendien blijkt uit het dossier niet hoe de opgeëiste persoon zou moeten weten dat de zakken uit de container cocaïne zouden bevatten.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt het volgende.
Uit het EAB onder e) en uit een brief van de Duitse autoriteit van 12 februari 2019 blijkt dat de opgeëiste persoon samen met vier anderen in de periode van eind 2006 tot en met 21 februari 2007 te Neuss en Viersen (Duitsland) 200,8 kilo cocaïne in een container per schip vanuit Peru via Zweden naar Duitsland heeft proberen te transporteren. In Göteborg (Zweden) werden op 29 december 2006 de verdovende middelen onderschept. De cocaïne werd door de Zweedse justitie vervangen door bariumsulfaat. Uiteindelijk is de container via Antwerpen op 21 februari 2007 te Viersen in Duitsland aangekomen. De opgeëiste persoon en twee anderen hebben de container daar in ontvangst genomen en vervolgens is de opgeëiste persoon aangehouden in de directe nabijheid van de reeds geopende container.
De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij de zakken met handelswaar met de hand heeft uitgeladen. Daarbij was het zo dat hij concreet de handelswaar met het eindnummer 007 moest uitladen. Bovendien had hij een mes bij zich om de zakken open te snijden, wat hij ten dele heeft gedaan, aangezien meerdere zakken opengesneden werden aangetroffen.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het feit daarmee genoegzaam is omgeschreven. Hierbij merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten, de verdenking, duidelijk moet maken. Vermelding van de gronden van de verdenking is niet vereist. Het is niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking.
Eventuele bewijsverweren komen in geval van overlevering eerst aan de orde in de Duitse strafprocedure. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een strafrechtelijk onderzoek dat kennelijk nog niet is afgerond. De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De Oberstaatsanwältin te Düsseldorf heeft op 12 februari 2019 de volgende garantie gegeven:
"Onder verwijzing van uw schrijven van d.d. 8 februari 2019 geven wij de garantie dat de opgeëiste persoon in het geval dat hij in de Bondsrepubliek Duitsland onherroepelijk wordt veroordeeld op basis van de geldende versie van het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (Publicatieblad L 327 d.d. 5-12-2008, pagina 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland terug zal worden overgeleverd."
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
Het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod.

6.Onschuldverweer

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft namens hem aangevoerd dat hij onschuldig is aan de feiten zoals genoemd in het EAB. Zijn baan bestond uit het laden en lossen van goederen in een loods. Het was zijn eerste werkdag. Hij heeft die zakken geopend voor zijn werk. Hij kende de mensen voor wie hij werkte niet, maar hij wilde niet werkloos worden omdat hij in dat geval zijn vrouw en kinderen niet zou kunnen onderhouden.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon hiermee niet aanstonds heeft aangetoond dat hij onschuldig is. De rechtbank verwerpt het verweer.
7. Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
der Staatsanwaltschaft Düsseldorf (Duitsland)ten behoeve van het in de uitvaardigende lidstaat tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. W.A.P.J. van den Reek en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2019.
Mr. M. van Mourik is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.