De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 april 2019 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Staatsanwaltschaft Düsseldorf. Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek naar de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het transport van 200,8 kilo cocaïne via een container van Peru naar Duitsland.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. De inhoud van het EAB werd beoordeeld op genoegzaamheid; de rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende informatie bevat over tijd, plaats en mate van betrokkenheid, ondanks het verweer van de raadsman dat de beschrijving te summier was.
De strafbaarheid van het feit is erkend, aangezien het om een feit uit bijlage 1 van de Overleveringswet gaat, namelijk illegale handel in verdovende middelen. De Duitse autoriteiten gaven de garantie dat bij een veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgevoerd. Het onschuldverweer van de opgeëiste persoon werd verworpen. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan omdat aan alle wettelijke vereisten was voldaan en geen weigeringsgronden aanwezig waren.