Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:225

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2019
Publicatiedatum
15 januari 2019
Zaaknummer
13/706675-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172 GemeentewetArt. 172A GemeentewetArt. 177 GemeentewetArt. 2.9(A) Algemene Plaatselijke Verordening AmsterdamArt. 184 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende kenbaarheid van gebiedsverbod voor opzet

Verdachte werd verdacht van het opzettelijk overtreden van een gebiedsverbod dat hem was opgelegd door de burgemeester van Amsterdam. Het gebiedsverbod betrof het dealeroverlastgebied DOG 2.0, waar verdachte zich volgens het Openbaar Ministerie niet mocht bevinden gedurende een periode van drie maanden.

De kern van het geschil was of verdachte voldoende op de hoogte was van de omvang van het gebiedsverbod om opzet te kunnen aannemen. Verdachte ontving het bevel, maar stelde dat hij het bijbehorende kaartje met de exacte grenzen van het gebied niet had ontvangen en uitging van eerdere, kleinere gebiedsverboden. De rechtbank kon niet vaststellen dat de plattegrond met de grenzen van het nieuwe gebiedsverbod daadwerkelijk aan verdachte was toegezonden.

De rechtbank concludeerde dat verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het verbod zou overtreden, omdat hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de Geelvinckssteeg buiten het verboden gebied viel. Daarom werd het ten laste gelegde niet bewezen verklaard en verdachte vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet is vastgesteld dat hij kennis had van de omvang van het gebiedsverbod.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS
Parketnummer: 13/706675-17
Datum uitspraak: 8 januari 2019
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1963,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 december 2018 en (sluiting) 8 januari 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. O.J.M. Bijl, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.C. Gelok, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 30 november 2017 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 3 maanden gebiedsverbod, overlastgebied 2.0,
krachtens een wettelijk voorschrift, te weten art. 172/172A jo. 177 Gemeentewet jo. art. 2.9(A) Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 30 september 2017 tot en met 29 december 2017 niet mocht bevinden in/op overlastgebied 2.0, door, zich op voornoemde datum om 00.49 uur in/op de Geelvinckssteeg, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden.
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vraag die centraal staat is of verdachte wetenschap had van de omvang van het door hem overtreden gebiedsverbod. Het dossier bevat een bevel, te weten een verblijfsverbod voor de duur van drie maanden, een aankondiging aan verdachte dat dit bevel waarschijnlijk aan hem zou worden uitgevaardigd en een vrachtbrief waaruit volgt dat het bevel ook daadwerkelijk is bezorgd op het door verdachte opgegeven adres. Verdachte heeft het bevel ontvangen en heeft verklaard dat hij ervan uitging dat de Geelvinckssteeg niet in het verboden gebied lag. Hoewel de verwarring bij verdachte begrijpelijk is, had hij de plicht om het kaartje met de plattegrond, waarvan de rechtbank mag aannemen dat deze is meegezonden, goed te bestuderen. Hij mocht er niet zomaar van uitgaan dat het gebied dezelfde omvang had als in eerdere aan hem opgelegde bevelen. Hij heeft echter nagelaten de kaart nader te bestuderen. Door zich desondanks in het verboden gebied te begeven, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het verbod zou overtreden. Verdachte heeft dus voorwaardelijk opzet gehad op het overtreden van het aan hem opgelegde verwijderingsbevel.
3.2.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit omdat de omvang van het verbodsgebied voor verdachte niet duidelijk was en hij ervan uitging dat de Geelvinckssteeg buiten dit gebied viel. Het opzet, ook in voorwaardelijke vorm, ontbreekt.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte wordt vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat aan verdachte op 26 april 2017 een verwijderingsbevel is opgelegd voor het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations, waarbij een kaartje met een beschrijving van de grenzen van het overlastgebied en een plattegrond met daarin aangegeven de grenzen van het overlastgebied aan verdachte is uitgereikt. Uit het dossier volgt ook dat op 9 september 2017 aan verdachte is aangekondigd dat mogelijk een gebiedsverbod voor dealeroverlastgebied DOG 2.0 aan hem zou worden opgelegd. Niet blijkt dat verdachte toen (expliciet) is gewezen op de (ruimere) grenzen van dat overlastgebied. Aan verdachte is vervolgens een dealerverblijfsverbod voor dealeroverlastgebied DOG 2.0. opgelegd voor de duur van drie maanden, gedurende de periode van 30 september 2017 tot en met 29 december 2017. Daarnaast bevat het dossier een vrachtbrief waaruit blijkt dat het bevel op 25 september 2017 is gedeponeerd in de brievenbus van het door verdachte opgegeven adres. Op 30 september 2017 is verdachte aangehouden in voornoemd dealeroverlastgebied, te weten de Geelvinckssteeg.
Verdachte heeft tijdens het politieverhoor en ter terechtzitting consistent verklaard dat hij de brief met het bevel heeft ontvangen, maar dat hij het bijbehorende kaartje met een beschrijving van de grenzen van het overlastgebied en een plattegrond met daarin aangegeven de grenzen van het overlastgebied niet heeft ontvangen. Verdachte heeft verklaard dat hij, gelet op de eerder aan hem opgelegde gebiedsverboden voor het centrum, ervan uitging dat de Geelvinckssteeg niet in het verboden gebied lag.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat een beschrijving van de grenzen van het dealeroverlastgebied DOG 2.0 en een plattegrond met daarin aangegeven de grenzen van het dealeroverlastgebied DOG 2.0. is meegezonden. In het bevel van de burgermeester zelf staat niet omschreven wat de omvang van het gebied is.
De rechtbank stelt vast dat het dealeroverlastgebied DOG 2.0 ruimer in omvang is dan het overlastgebied Centrum 1.0. Zoals hierboven omschreven staat wel vast dat verdachte een plattegrond uitgereikt heeft gekregen van laatstgenoemd (kleinere) overlastgebied. De rechtbank acht het daarom begrijpelijk dat verdachte, gelet op de eerder aan hem opgelegde verwijderingsbevelen, ervan uit ging dat het
'nieuwe
'verbod op hetzelfde gebied zag. De Geelvinckssteeg valt daar niet onder.
Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat verdachte, door zich in het verboden gebied te bevinden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het verbod zou overtreden.
Andere concrete aanknopingspunten op grond waarvan verdachtes wetenschap van de grenzen van het dealeroverlastgebied DOG 2.0 kan worden vastgesteld ontbreken. Dat betekent dat vrijspraak moet volgen.

4.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.B. de Boer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A. Bouwman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 januari 2019.