Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:1821

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2019
Publicatiedatum
14 maart 2019
Zaaknummer
13/751727-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering aan Oostenrijk op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel

De rechtbank Amsterdam heeft op 12 maart 2019 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering van een persoon aan Oostenrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB is uitgevaardigd wegens vermoedelijke betrokkenheid bij illegale handel in verdovende middelen, strafbaar gesteld onder Oostenrijks recht met een maximale straf van ten minste drie jaar.

De identiteit van de opgeëiste persoon is vastgesteld en hij heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank heeft onderzocht of de overlevering kan worden toegestaan, mede op basis van de garantie van Oostenrijk dat een eventuele onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland kan worden uitgezeten. Tevens is de dubbele strafbaarheid van de feiten bevestigd, waarbij de feiten ook onder de Nederlandse Opiumwet vallen.

Een mogelijke weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLW Pro, omdat de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, is door de officier van justitie met succes weerlegd. De rechtbank heeft een marginale toetsing toegepast en geoordeeld dat overlevering uit het oogpunt van goede rechtsbedeling passend is. De overlevering is daarom toegestaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel wegens drugshandel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751727-18
RK nummer: 19/139
Datum uitspraak: 12 maart 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 augustus 2018 door de
Staatsanwaltschaft Wels(Oostenrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 februari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. H. de Kroon, advocaat te Hilversum.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
order to arrest issued by the Wels Public Prosecutor’s Office under file no. 4. St 129/18 g, court approval issued by the Wels Regional Court on 28 August 2018 under file no. 40 Hr. 10/18 d.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Oostenrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De
Leitender Staatsanwaltte Wels heeft op 23 januari 2019 de volgende garantie gegeven:
“We hereby guarantee that [opgeëiste persoon] , should he – after his transfer to Austria – be sentenced with final legal effect (meaning that he is no longer able to appeal such decision), to a prison sentence without probation or a sentence without parole, he will be allowed to serve the sentence in the Netherlands.”
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Oostenrijkse autoriteiten plaats te vinden.
Daartoe zijn de volgende argumenten aangevoerd:
  • het onderzoek is in Oostenrijk aangevangen;
  • het bewijs bevindt zich in Oostenrijk;
  • de drugs waren bedoeld voor de Oostenrijkse markt, waardoor de rechtsorde van Oostenrijk is geschonden.
De raadvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Staatsanwaltschaft Welsten behoeve van het in Oostenrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en K.A. Brunner, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 maart 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.