Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[eiser in de hoofdzaak sub 1a], wonende te [woonplaats] , [Land 1] , en
[eiser in de hoofdzaak sub 1b], wonende te [woonplaats] , [Land 2] ,
receivers,
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele procedure tussen de Receivers en [eiser in de hoofdzaak sub 2] enerzijds en Croci International B.V., Croci International II B.V., Croci Holding B.V. en GFin Corporate Services Limited anderzijds, heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis gewezen op 30 januari 2019. Dit tussenvonnis wees de vorderingen in de bevoegdheids- en litispendentie-incidenten af.
GFin en de Croci-vennootschappen verzochten vervolgens om tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis toe te staan. De Receivers en [eiser in de hoofdzaak sub 2] maakten bezwaar tegen deze verzoeken. De rechtbank oordeelde dat het verzoek van GFin en de Croci-vennootschappen gegrond is, mede vanwege de complexiteit van de zaak en de betrokkenheid van meerdere jurisdicties, waardoor het wenselijk is om vooraf duidelijkheid te verkrijgen over de internationale bevoegdheid van de rechtbank.
De rechtbank bepaalde dat het hoger beroep tegen het tussenvonnis kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat in het incident ex artikel 223 Rv Pro wordt doorgeprocedeerd, omdat de rolverwijzing in dat incident een administratieve handeling betreft die niet wordt geschorst door het hoger beroep. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en zal zich later, mede op basis van de actuele stand van zaken in het hoger beroep, beraden over haar internationale bevoegdheid.
Uitkomst: De rechtbank stelt tussentijds hoger beroep toe en bepaalt dat in het incident ex artikel 223 Rv wordt doorgeprocedeerd.