ECLI:NL:RBAMS:2019:1053

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2019
Publicatiedatum
18 februari 2019
Zaaknummer
C/13/646686 / FA RK 18-2541
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:200 lid 6 BWArt. 8 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling ouderschap ondanks overschrijding wettelijke termijn

Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot ontkenning van het vaderschap van de juridische vader en tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de biologische vader. Hoewel het verzoek niet binnen de wettelijke termijn van drie jaar na bekendwording van het niet-biologische vaderschap is ingediend, stelt de rechtbank dat vasthouden aan deze termijn in dit geval een ongerechtvaardigde inmenging vormt in het familie- en gezinsleven, strijdig met artikel 8 EVRM Pro.

De feiten tonen aan dat de biologische vader in gezinsverband met verzoekers heeft geleefd, financieel heeft bijgedragen en als vader is erkend door de moeder en hemzelf. Het DNA-onderzoek bevestigde de biologische verwantschap. De rechtbank weegt het belang van verzoekers om een familierechtelijke band te vestigen en de bescherming van rechtszekerheid, en besluit de termijn buiten beschouwing te laten.

De ontkenning van het vaderschap van de juridische vader wordt gegrond verklaard en het ouderschap van de biologische vader wordt vastgesteld onder de opschortende voorwaarde dat de beschikking onherroepelijk wordt. Tevens is de keuze voor de geslachtsnaam van de biologische vader vastgelegd. De beschikking is openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de juridische vader toe en stelt het ouderschap van de biologische vader vast ondanks overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/646686 / FA RK 18-2541
Beschikking van 20 februari 2019 betreffende gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap
in de zaak van:

1.[verzoekster] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen verzoekster,

en
2. [verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen verzoeker,
advocaat mr. E. Tahitu te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
het openbaar ministeriete Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoek van verzoekers ingekomen op 13 april 2018;
- de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie van 14 mei 2018;
- het F9 formulier van verzoekers van 31 mei 2018.
1.2.
De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 23 oktober 2018.
Gehoord zijn verzoekers, bijgestaan door hun advocaat.
1.3.
Ter zitting heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken aangehouden om verzoekers in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden over de gevolgen van de ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling vaderschap met name op het gebied van de achternaam.
1.4.
Vervolgens heeft de rechtbank de volgende stukken van verzoekers ontvangen:
- F9-formulier van 15 januari 2019;
- F9-formulier van 14 februari 2019.
1.5.
De rechtbank heeft de uitspraakdatum vervolgens bepaald op heden.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Verzoekers zijn geboren staande het huwelijk van [de moeder] , hierna de moeder, en [de vader] , hierna [de vader] . [de moeder] had gedurende dit huwelijk een affectieve relatie met [naam relatie] , hierna [naam relatie] .
2.2.
Op 15 december 2000 is [de vader] overleden. Op 1 juni 2011 is de moeder en op 14 februari 2015 is [naam relatie] overleden.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoekers verzoeken de ontkenning van het vaderschap van [de vader] ten aanzien van hen gegrond te verklaren en vast te stellen dat [naam relatie] hun vader is.
3.2.
Verzoekers leggen hieraan ten grondslag dat niet [de vader] hun biologische vader is, maar [naam relatie] . In of rond 2004 heeft de moeder aan verzoeker verteld dat [naam relatie] de biologische vader van verzoekers was. [naam relatie] heeft dit desgevraagd bevestigd. De verwantschap tussen verzoekers en [naam relatie] is in 2011 na het overlijden van de moeder via DNA-onderzoek vastgesteld. [naam relatie] heeft verzoekers, reeds in 2005, in zijn testament als erfgenamen benoemd. Zij waren daarvan niet op de hoogte. Verzoekers erkennen dat het verzoek niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, maar stellen dat het vasthouden aan die termijn in dit geval een ongerechtvaardigde inmenging vormt in het familie- en gezinsleven en daardoor strijdig is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.Standpunt OM

Het OM stelt zich op het standpunt dat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het OM betwijfelt of de aangevoerde fiscale reden, het feit dat verzoekers als verwanten van [naam relatie] in een andere tariefgroep van de Belastingdienst zullen vallen, een ongerechtvaardigde inmenging op het familie- en gezinsleven oplevert en in zoverre strijdig is met artikel 8 EVRM Pro.

5.De beoordeling

5.1.
Verzoekers hebben nu [de vader] tot vader op grond van het feit dat hij ten tijde van de geboorten met de moeder was gehuwd.
5.2.
Ingevolge artikel 1:200 lid 6 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) dient een kind uiterlijk drie jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat zijn wettige vader vermoedelijk niet zijn biologische vader is een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap in te dienen.
Gelet op het DNA-onderzoek wisten verzoekers reeds in 2011 met zekerheid dat [naam relatie] hun biologische vader was. Verzoekers hebben hun verzoek dus niet binnen de wettelijke termijn ingediend.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak is de termijn genoemd in artikel 1:200 lid 6 BW Pro van openbare orde en is het stellen van termijnen noodzakelijk om de rechtszekerheid te waarborgen en de belangen van het kind te beschermen. Hoewel in beginsel het stellen van termijnen geen ongerechtvaardigde inmenging op het familie- en gezinsleven oplevert, kan het vasthouden aan die termijn in bepaalde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wel een dergelijke inmenging opleveren en in zoverre strijdig zijn met artikel 8 EVRM Pro.
5.4.
In dit geval heeft DNA-onderzoek uitgewezen dat niet [de vader] , maar [naam relatie] de biologische vader van verzoekers is. [naam relatie] en de moeder hebben bij leven aangegeven dat verzoekers zijn kinderen waren. Ter zitting hebben verzoekers een nadere verklaring gegeven voor hun verwekking door [naam relatie] . Verder hebben zij naar voren gebracht dat [naam relatie] iedere dag op bezoek kwam in het gezin [familienaam] en bij die gelegenheid de hond uitliet. Hij at in de weekenden geregeld mee, bleef geregeld slapen, ging mee op alle vakanties en was aanwezig tijdens de feest- en verjaardagen en de gezamenlijke kerkgang. De rechtbank concludeert dat [naam relatie] in gezinsverband met verzoekers heeft geleefd. Daarnaast betaalde hij hen zakgeld en droeg hij, ook financieel, bij aan hun verzorging en opvoeding.
5.5.
In dit geval ziet de rechtbank niet in hoe de rechtszekerheid zou worden geschaad bij het niet vasthouden aan de wettelijke termijnen. Verzoekers behoeven in dit geval geen bescherming nu zij allen al geruime tijd meerderjarig zijn, maar zij hebben wel belang bij het vestigen van een familierechtelijke band. Bij toewijzing van hun verzoek kunnen zij als erfgenamen van [naam relatie] worden aangemerkt. Nu het belang van verzoekers niet wordt beschermd door de wettelijke termijn van artikel 1:200 lid 6 BW Pro, maar hierdoor juist wordt geschaad, vormt de termijnstelling in dit geval een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM Pro.
De rechtbank zal de termijn daarom buiten beschouwing laten en het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van de juridische vader toewijzen.
5.6.
Gelet op de uitkomst van het DNA-onderzoek ligt het verzoek om gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van [naam relatie] over verzoekers voor toewijzing gereed, mits de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [de vader] over verzoekers onherroepelijk is geworden.
5.7.
Partijen hebben bij de vaststelling van het vaderschap meegedeeld dat zij hebben gekozen voor de naam van de vader “ [naam relatie] ”.

6.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van [de vader] ten aanzien van de uit de moeder geboren kinderen:
1. [verzoekster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955;
2. [verzoeker]
,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959;
- stelt - onder de opschortende voorwaarde dat de beslissing tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap ten aanzien van [verzoekster] en [verzoeker] in kracht van gewijsde is gegaan - vast het ouderschap van [naam relatie] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1928, ten aanzien van:
1. [verzoekster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955;
2. [verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959;
- stelt vast dat verzoekers gezamenlijk hebben verklaard dat zij de geslachtsnaam van de vader “ [naam relatie] ” zullen hebben;
- draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [naam gemeente] .
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier, op 20 februari 2019. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).