ECLI:NL:RBAMS:2019:10330
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende onderbouwing
De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 juni 2019 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een strafzaak wegens medeplegen van oplichting. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €79.710,10, later verlaagd tot €49.338,-, gebaseerd op een financieel rapport en het bewijsvermoeden uit artikel 36e lid 3 Sr. De verdediging voerde aan dat diverse posten van het gevorderde bedrag moesten worden afgetrokken wegens terugbetalingen, kosten en niet te herleiden stortingen.
De rechtbank constateerde diverse onduidelijkheden in het rapport, waaronder de onduidelijke wettelijke grondslag (lid 2 of lid 3 van artikel 36e Sr), de gehanteerde rekenmethode (kasopstelling versus transactieberekening), en de selectie van bankstortingen die in de berekening waren meegenomen. Ook ontbrak een heldere onderbouwing van de hoogte van het gevorderde bedrag en de relatie met de tenlastegelegde feiten.
De officier van justitie kon ter zitting geen bevredigende uitleg geven over deze punten en presenteerde geen nieuwe berekening op basis van lid 3 Sr. De rechtbank benadrukte dat de ontnemingsmaatregel een herstelmaatregel is die gebaseerd moet zijn op een gedegen en transparante berekening, waarbij de veroordeelde de mogelijkheid moet hebben zich te verweren.
Gezien het ontbreken van een degelijke basis voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, wees de rechtbank de vordering af. Het aanhouden van de beslissing om een betere berekening te verkrijgen achtte de rechtbank niet verenigbaar met een behoorlijke procesorde en de belangen van de veroordeelde.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheden in de berekening.