ECLI:NL:RBAMS:2019:10055

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2019
Publicatiedatum
21 januari 2020
Zaaknummer
13/751421-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11b OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks staking gevangenispersoneel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 december 2019 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg – Afdeling Tongeren. De opgeëiste persoon ontkende de tenlasteleggingen, maar kon dit onschuldverweer niet onderbouwen.

De strafbare feiten betreffen deelneming aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, strafbaar gesteld onder Belgisch en Nederlands recht. De rechtbank concludeerde dat de dubbele strafbaarheid was voldaan en dat de gevraagde garantie voor het ondergaan van een eventuele vrijheidsstraf in Nederland voldoende was gegeven.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege de detentieomstandigheden in België, met name een aangekondigde 24-uurs staking van gevangenispersoneel en de medische situatie van de opgeëiste persoon. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen reden waren om de overlevering te weigeren of aan te houden, omdat de staking geen structureel of fundamenteel gebrek vormt en de medische beoordeling bij feitelijke overlevering aan de officier van justitie is.

De rechtbank wees de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro af en besloot de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlandse onderdaan aan België toe ondanks bezwaren over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751421-19
RK nummer: 19/3097
Datum uitspraak: 24 december 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 mei 2019 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg – Afdeling Tongeren (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 december 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Verstegen, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Bevel tot aanhouding bij verstek in fine uitlevering van 14 mei 2019, uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg – Afdeling Tongeren, met kenmerk: 18/072.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende e-mail van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 augustus 2019. Gewaarmerkte fotokopieën hiervan zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet op dit punt achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie
en
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De Procureur des Konings Limburg heeft bij brief van 8 augustus 2019 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 paragraaf Pro 3 van het Kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon].
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel aldaar te ondergaan.
De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en in artikel 11, derde en vierde lid van de Opiumwet.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteit plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd:
  • de rechtsorde is in België geschokt nu de precursoren aldaar zijn geleverd;
  • het onderzoek is reeds in België aangevangen;
  • het bewijs bevindt zich grotendeels in België;
  • een deel van de medeverdachten bevindt zich in België.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

8.Detentieomstandigheden

De raadsvrouw heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, subsidiair dat de behandeling moet worden aangehouden om nadere informatie te verkrijgen van de uitvaardigende autoriteit in verband met de detentieomstandigheden in België. De raadsvrouw heeft verwezen naar verschillende mediaberichten waaruit volgt dat het afgelopen jaar al vaker spontane stakingsacties van gevangenispersoneel hebben plaatsgevonden en dat twee van de drie vakbonden van gevangenispersoneel een 24-uurs-staking hebben aangekondigd op 11 december 2019. Overlevering naar België is al vaker tijdelijk stopgezet vanwege de detentieomstandigheden en meer in het bijzonder vanwege stakingen van het gevangenispersoneel. Op 14 augustus 2018 heeft de rechtbank – na het tijdelijk aanhouden van Belgische overleveringsverzoeken vanwege (dreigende) stakingen – onder meer overwogen dat er op dat moment geen sprake was van stakingen en dat de kans daarop ook niet meer reëel was, zodat geen sprake meer was van een toestand die strijdig is met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Op dit moment is er wél weer sprake van op handen zijnde stakingen en staat die omstandigheid in de weg aan het toestaan van het verzoek tot overlevering. De slechte medische situatie van de opgeëiste persoon moet hierbij worden meegewogen; op 24 december 2019 staat een afspraak bij een anesthesist gepland in verband met een noodzakelijke operatie; het is van groot belang dat de opgeëiste persoon de juiste medische zorg krijgt, aldus de raadsvrouw.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. De berichten in de media en de aangekondigde 24-uurs-staking van twee van de drie vakbonden van het Belgische gevangenispersoneel zijn aanleiding de situatie in de Belgische detentiecentra nauwgezet te volgen, maar vormen geen beletsel voor het toestaan van de overlevering en leiden – gelet op de duur en de omvang van de aangekondigde staking – niet tot het oordeel dat nadere informatie hieromtrent moet worden opgevraagd bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. De mediaberichten zijn voorts niet te beschouwen als “objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de penitentiaire inrichtingen in de uitvaardigende lidstaat die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen.” [1] De gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon kan worden beoordeeld in het kader van de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, OLW. Die beoordeling is echter voorbehouden aan de officier van justitie. Het verweer wordt verworpen en het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.

9.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 11b Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Limburg – Afdeling Tongeren (België).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 december 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:589 (ML).