De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 december 2019 een tussenuitspraken in een zaak over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Italië voor een persoon verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal. De rechtbank onderzocht of de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in Italiaanse detentiecentra.
Uit een rapport van de NGO Antigone bleek dat in 16 Italiaanse gevangenissen, waaronder twee in Napels, de minimale celruimte van 3 m2 per gedetineerde niet gegarandeerd is, wat volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een risico op onmenselijke behandeling inhoudt. De rechtbank concludeerde dat deze gegevens duiden op structurele gebreken in bepaalde detentiecentra, maar dat dit op zichzelf niet voldoende is om overlevering te weigeren.
De rechtbank baseerde zich op het arrest Aranyosi en Căldăraru van het Hof van Justitie van de EU, dat vereist dat bij concrete aanwijzingen voor een reëel gevaar op onmenselijke behandeling de rechter aanvullende, specifieke informatie moet opvragen over de detentieomstandigheden van de betrokkene.
Daarom werd het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd en werd de officier van justitie opgedragen nadere gegevens op te vragen bij de Italiaanse autoriteiten over de precieze omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd. Tevens werd de termijn voor uitspraak met dertig dagen verlengd om deze informatie af te wachten.
De uitspraak is definitief en tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.