ECLI:NL:RBAMS:2018:9530

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
3 januari 2019
Zaaknummer
13/751836-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 311 SrArt. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 11 Wegenverkeerswet 1994Art. 177 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming en weigering overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor strafzaken in Ierland

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een persoon aan Ierland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Ierse autoriteiten. Het EAB betreft meerdere strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan nog 369 dagen resteren.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en stelde vast dat deze correct was. Vervolgens werd beoordeeld of de feiten voldeden aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Voor vijf van de zes feiten werd dit bevestigd, waaronder onder meer diefstal en overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Voor het zesde feit, een ontsnapping uit de gevangenis, werd geen dubbele strafbaarheid vastgesteld, waardoor overlevering hiervoor werd geweigerd.

Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander op grond van langdurig rechtmatig verblijf. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs was geleverd van onafgebroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaar, waardoor deze gelijkstelling niet kon worden toegekend.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan voor de vijf strafbare feiten waarvoor aan de voorwaarden was voldaan en deze te weigeren voor het ontsnappingsfeit. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Overlevering wordt toegestaan voor vijf strafbare feiten en geweigerd voor het ontsnappingsfeit wegens ontbrekende dubbele strafbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751836-18
RK-nummer: 18/7088
Datum uitspraak: 27 december 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 september 2018 door
The High Courtin Dublin (Ierland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats 2] (Ierland) op [geboortedatum] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] ,
thans gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. L.M.E. Kleczewski, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak
moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Ierse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:
I) een arrestatiebevel uitgevaardigd door Sligo District Court op 1 december 2016;
II) een arrestatiebevel uitgevaardigd door de Dublin Circuit Criminal Court op 18 juli 2008, dat [opgeëiste persoon] heeft veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, daterend van 1 oktober 2007 voor nr. 1 op nr. 521/2006 en overigens tot zes maanden volgens nr. 2 en 3 gelijktijdig aan de opgelegde straf voor nr. 1;
III) een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de Dublin Circuit Criminal Court op 18 juli 2008 die [opgeëiste persoon] heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar waarvan de laatste twaalf maanden voorwaardelijk zijn volgens nr. 1144/2006. De straf gaat in na het wettig aflopen van de opgelegde straf van nr. 1 op nr. 521/2006;
IV) een uitvoerbaar vonnis van twee jaar gevangenisstraf daterend vanaf 17 oktober 2007 voor nr. 521/2006 en drie jaar gevangenisstraf waarvan de laatste twaalf maanden voorwaardelijk zijn voor nr. 1144/2006, met ingang van het wettig aflopen van de opgelegde straf van nr. 1 voor nr. 521/2006.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 369 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Tevens wordt de overlevering verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Ierland strafbaar feit (hierna: feit 6).
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Artikel 12 van Pro de OLW
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon is verschenen op het processen die hebben geleid tot de beslissingen met de nummers 521/2006 en 1144/2006. Artikel 12 OLW Pro is dus niet van toepassing.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5 hieraan is voldaan.
De feiten 1 tot en met 5 leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 11 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden;
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
mishandeling
Ten aanzien van feit 6 overweegt de rechtbank dat een ontsnapping uit de gevangenis door een gedetineerde niet strafbaar is naar Nederlands recht, zoals al eerder door deze rechtbank is vastgesteld (ECLI:NL:RBAMS:2017:1572). Er is dan ook niet voldaan aan eerdergenoemde eis van dubbele strafbaarheid ten aanzien van feit 6, hetgeen moet leiden tot weigering van de verzochte overlevering voor dit feit.

5.Artikel 6, vijfde lid, van de OLW

5.1
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon dient te worden gelijk gesteld met een Nederlander op basis van de overgelegde stukken. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 2012 in Nederland is en vanaf 2014 staat ingeschreven. De contante stortingen op zijn rekening zijn van de verkoop van paarden. De handel in paarden gaat onderhands en daarom zijn er geen stukken van, maar de opgeëiste persoon is financieel onafhankelijk en heeft nooit problemen met de Belastingdienst gehad. Er is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, aldus de raadsvrouw.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, waardoor hij niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon die onderdaan van een EU-lidstaat is en die niet beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of een document waaruit blijkt dat hij duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft als Unieburger, moet volgens vaste rechtspraak van deze rechtbank aantonen dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven om ingevolge artikel 6, vijfde lid, OLW voor een gelijkstelling met een Nederlander in aanmerking te kunnen komen.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet uit de door de opgeëiste persoon overgelegde stukken gebleken. Op grond van de stukken kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon inkomsten uit daadwerkelijke en reëel verrichte arbeid heeft gegenereerd in vijf onafgebroken jaren. Daardoor is geen sprake van rechtmatig verblijf.
Gelet hierop kan, naar het oordeel van de rechtbank, de opgeëiste persoon niet worden gelijk gesteld met een Nederlander.

6.Slotsom

Nu ten aanzien van feiten 1 tot en met 5 waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 300 en 311 Wetboek van Strafrecht, 5, 11 en 177 Wegenverkeerswet 1994, 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
The High Courtin Dublin ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de feiten 1 tot en met 5.
WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]voor zover het EAB betrekking heeft het in het EAB onder feit 6 omschreven feit, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. E.G. Fels en A.P. Sno, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 december 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.