ECLI:NL:RBAMS:2018:8928

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 december 2018
Publicatiedatum
12 december 2018
Zaaknummer
AMS 18/4081
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:49 AwbArt. 8:4 ARAArt. 25, negende lid, WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen eervol ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid

Eiser was werkzaam bij de gemeente Amstelveen en raakte door een verkeersongeval arbeidsongeschikt. Na een positieve beoordeling van het UWV over de re-integratieverplichtingen van verweerder, verleende verweerder eervol ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid per 8 januari 2016.

Eiser maakte bezwaar tegen het ontslag, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard, maar door de rechtbank werd vernietigd. Het bestreden besluit handhaafde het ontslag en wees het bezwaar af. De rechtbank toetste uitsluitend het bestreden besluit en kon geen oordeel geven over aanvullende loon- of pensioenvorderingen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was het ontslag te verlenen op grond van artikel 8:4 ARA Pro, mede gezien de positieve UWV-beoordeling. Het standpunt van eiser dat verweerder zijn re-integratieverplichtingen niet zou hebben nageleefd, werd verworpen. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat het ontslagbesluit niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het eervol ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/4081

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 december 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te De Kwakel, eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,verweerder
(gemachtigde: T. Kok).

Procesverloop

Met het besluit van 9 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser eervol ontslag verleend met ingang van 8 januari 2016 wegens volledige arbeidsongeschiktheid.
Met het besluit van 9 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2018. Eiser is verschenen, samen met zijn vrouw. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat ging aan deze procedure vooraf?
1.1.
Eiser was sinds [datum] werkzaam bij de gemeente Amstelveen, voor het laatst als [functie] bij het team [naam] van de afdeling Realisatie & Beheer. Na een verkeersongeval op 30 december 2013, waarbij eiser zijn linker (onder)been heeft verbrijzeld, is eiser uitgevallen voor zijn werkzaamheden.
1.2.
Op 16 september 2015 heeft eiser bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd.
1.3.
Met het besluit van 7 oktober 2015 heeft het Uwv aan verweerder een loondoorbetalingsverplichting opgelegd tot 28 december 2016, omdat verweerder niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Indien verweerder alsnog zijn re‑integratieverplichtingen zou nakomen, zou verweerder eerder kunnen stoppen met de loondoorbetaling.
1.4.
Met het besluit van 1 december 2015 heeft het Uwv geoordeeld dat verweerder heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Daarom is de periode van de loondoorbetalingsverplichting verkort tot en met 7 januari 2016.
1.5.
Met het besluit van 12 januari 2016 heeft het Uwv aan eiser met ingang van 8 januari 2016 een zogeheten loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA toegekend, gebaseerd op volledige (100%) arbeidsongeschiktheid.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder aan eiser eervol ontslag verleend met ingang van 8 januari 2016 wegens volledige arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 8:4 van Pro de Arbeidsvoorwaardenregeling Amstelveen (ARA).
3. Verweerder is er in eerste instantie van uitgegaan dat eiser uitsluitend op 14 februari 2016 een bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ingediend en dat hij dat bezwaarschrift na een telefoongesprek met een juridisch medewerker heeft ingetrokken. Dit bezwaar heeft verweerder vervolgens met het besluit van 25 augustus 2017 kennelijk niet‑ontvankelijk verklaard. Deze rechtbank heeft in de uitspraak van 23 januari 2018, AMS 17/5871, het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 25 augustus 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van 14 februari 2016 te nemen.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank en inhoudelijk beslist op het bezwaar van eiser. Verweerder heeft het advies van de commissie voor de bezwaarschriften gevolgd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens de commissie voor de bezwaarschriften was verweerder bevoegd over te gaan tot het verlenen van ontslag en heeft hij van deze bevoegdheid in redelijkheid gebruik mogen maken. Ten slotte hoeft verweerder volgens de commissie voor bezwaarschriften geen ontslagvergoeding aan eiser toe te kennen.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
5. De rechtbank stelt voorop dat zij alleen kan toetsen wat in het bestreden besluit door verweerder is besloten. In beroep heeft eiser de rechtbank verzocht verweerder te gelasten om eisers positie als werknemer te herstellen, om zijn uitkering aan te vullen tot het laatstverdiende loon en om tot nu toe toegepaste inhoudingen op zijn salaris te betalen en de achterstallige betalingen inzake zijn pensioen te voldoen. De rechtbank stelt vast dat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit geen op rechtsgevolg gerichte beslissing over deze onderwerpen bevat. De rechtbank kan in deze procedure dan ook geen oordeel geven over deze onderwerpen.
6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het advies van de commissie voor de bezwaarschriften niet klakkeloos mag overnemen en het bestreden besluit daarop niet mag baseren. De rechtbank geeft eiser hierin geen gelijk. Op grond van artikel 3:49 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan bij de motivering van een besluit worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. De rechtbank is van oordeel dat aan deze vereisten is voldaan. Verweerder mocht in het bestreden besluit dus volstaan met een verwijzing naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften.
Relevante regelgeving
7. In artikel 8:4, tweede lid, van de ARA is bepaald dat ontslag aan de ambtenaar kan worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. In het derde lid van dit artikel is vastgelegd dat ontslag als bedoeld in het tweede lid slechts mag plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden. Op grond van het vierde lid van dit artikel betrekt verweerder bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA. Op grond van het tiende lid, aanhef en onder b, wordt de termijn van 24 maanden als bedoeld in het derde lid verlengd met de duur van het tijdvak dat het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld. Dit tijdvak betreft de periode waarin aan de werkgever een loondoorbetalingsverplichting is opgelegd wegens onvoldoende re‑integratie‑inspanningen.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat eiser op de ontslagdatum van 8 januari 2016 al meer dan 24 maanden ongeschikt was voor het vervullen van zijn eigen functie en dat hij een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de WIA ontving. Verder staat vast dat verweerder bij de besluitvorming de WIA-claimbeoordeling van 12 januari 2016 heeft betrokken en dat door het Uwv de re-integratie-inspanningen van verweerder als voldoende zijn beoordeeld. Hieruit volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8:4 van Pro de ARA is voldaan en het college bevoegd was om gebruik te maken van de in het tweede lid neergelegde ontslagbevoegdheid.
9. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zich niet aan zijn re‑integratieverplichtingen heeft gehouden. Voor zover eiser zich daarmee op het standpunt stelt dat verweerder geen toepassing mocht geven aan artikel 8:4 van Pro de ARA, geeft de rechtbank eiser hierin geen gelijk. Het Uwv heeft immers geoordeeld dat verweerder aan alle re-integratieverplichtingen heeft voldaan en dat oordeel staat in rechte vast. De rechtbank moet er om die reden dan ook van uitgaan dat verweerder aan alle re-integratieverplichtingen heeft voldaan.
10. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid eiser te ontslaan. Eiser heeft aangevoerd dat er zowel in het eerste als in het tweede spoor nog voldoende mogelijkheden waren om hem weer aan de slag te laten gaan en dat hij het gevoel heeft dat verweerder van hem af wilde, of in elk geval dat verweerder zich niet erg heeft ingespannen om hem binnen de gemeente aan werk te helpen. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden voorbijgegaan aan het positieve oordeel van het Uwv over de re‑integratieverplichtingen van verweerder. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat verweerder van hem af wilde. Verweerder heeft ter zitting en in de stukken juist blijk gegeven van waardering voor eiser en de manier waarop hij zijn werkzaamheden heeft verricht. In wat eiser – zonder nadere onderbouwing – heeft aangevoerd met betrekking tot dit punt ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid. Verweerder mocht eiser dan ook ontslaan.
Verzoek om (immateriële) schadevergoeding
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aanspraak maakt op een (immateriële) schadevergoeding. De rechtbank geeft eiser hierin geen gelijk en wijst het verzoek af. Uit wat hiervoor is geoordeeld, volgt immers dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Eventuele schade van eiser is dan ook niet op basis van het ontslagbesluit op verweerder te verhalen. De rechtbank merkt daarbij overigens wel op dat het partijen vrijstaat daar onderling andere afspraken over te maken.
Conclusie
12. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van verweerder om eiser eervol ontslag te verlenen wegens volledige arbeidsongeschiktheid op goede gronden berust. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk.
13. Omdat eiser geen gelijk krijgt, hoeft verweerder de proceskosten die eiser gemaakt heeft en het griffierecht dat hij heeft betaald, niet aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Broekhuis, voorzitter, en mr. S.E. Reichert en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. M.S. Boomhouwer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2018.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.