ECLI:NL:RBAMS:2018:7668

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 oktober 2018
Publicatiedatum
26 oktober 2018
Zaaknummer
13-751400-18 RK 18-3282
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor illegale handel verdovende middelen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 oktober 2018 een vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet tot overlevering van een persoon aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. De opgeëiste persoon, met zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit, werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen, een strafbaar feit volgens de Belgische wet en opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. Tevens werd vastgesteld dat de strafbaarheid van het feit volgens Nederlands recht aanwezig is, waardoor de garantie van overbrenging en uitvoering van de straf in Nederland werd geaccepteerd. De verdediging voerde aan dat op grond van artikel 4 van Pro het Handvest van de Europese Unie de overlevering moest worden geweigerd vanwege slechte detentieomstandigheden in België, maar dit verweer werd verworpen.

De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak waarin vergelijkbare argumenten waren behandeld en concludeerde dat er geen aanwijzingen waren om het EAB te weigeren. De overlevering werd toegestaan en de uitspraak is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe voor het strafrechtelijk onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751400-18
RK-nummer: 18/3282
Datum uitspraak: 26 oktober 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2018 door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon

1.Procesgang

Zitting 13 september 2018
De behandeling van de vordering stond geappointeerd op de openbare zitting van 13 september 2018. De raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft op 12 september 2018 verzocht om aanhouding aangezien de opgeëiste persoon ziek was. Dit verzoek is met instemming van de officier van justitie door de rechtbank op voorhand gehonoreerd.
Zitting 12 oktober 2018De vordering is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 oktober 2018.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn eerdergenoemde raadsman.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot aanhouding bij verstek, gedateerd 11 mei 2018 en uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij bovenvermelde rechtbank te Leuven.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van België strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid, feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft mede de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De Procureur des Konings te Leuven heeft op 10 september 2018 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 (§3) van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] ( [geboortedag] 1981).
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland wordt overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan.
De overbrenging steunt op het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan, want het feit waarop het EAB betrekking heeft, kan naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
6.
Is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW van toepassing?
De officier van justitie heeft - subsidiair - gevorderd dat afgezien moet worden van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW.
De raadsman heeft zich met betrekking tot dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Hoewel de vordering subsidiair is gedaan, hecht de rechtbank er aan vast te stellen dat naar haar oordeel het dossier geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat het feit waarop het EAB betrekking heeft, geacht moet worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. De door de officier van justitie bedoelde weigeringsgrond is dan ook niet aan de orde.

7.Artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)

Standpunt raadsmanOnder verwijzing naar onder meer het rapport van de CPT van 8 maart 2018 en met het verzoek het arrest van 5 april 2016 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Aranyosi/Căldăraru) toe te passen, heeft de raadsman de weigering van de overlevering bepleit, subsidiair verzocht om aanhouding van de zaak teneinde meer zicht te krijgen op de periode waarin en de wijze waarop de opgeëiste persoon in België het voorarrest zal moeten ondergaan. Hij heeft hieraan toegevoegd dat kennissen aan de opgeëiste persoon bericht hebben dat de omstandigheden in detentie zeer slecht zijn.
Oordeel rechtbankMet de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.
Zij verwijst daarbij naar haar uitspraak van 14 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5937.
De in die uitspraak opgenomen overwegingen gelden nog onverkort.
De rechtbank ziet geen aanleiding nadere informatie in te winnen over de detentie-omstandigheden, zoals subsidiair verzocht.
De enkele stelling dat kennissen slechte ervaringen in Belgische detentie hebben gemeld, kan dit oordeel niet anders maken.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

Artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7 Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. M.C.P. de Ridder en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 oktober 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.