Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2018:7528

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 oktober 2018
Publicatiedatum
22 oktober 2018
Zaaknummer
13/751113-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 12 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens ontbreken kennisgeving inhoudelijke behandeling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 oktober 2018 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Gdańsk. Het EAB betrof de uitvoering van een gevangenisstraf van 3 jaar en 6 maanden waarvan nog ruim 3 jaar restte. De verdachte werd verdacht van feiten die in het EAB zijn omschreven.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde zijn Poolse nationaliteit. Vervolgens werd de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) beoordeeld, die ziet op het ontbreken van een juiste kennisgeving van de inhoudelijke behandeling aan de verdachte. Uit het EAB en aanvullende informatie bleek dat de verdachte niet persoonlijk was gedagvaard, maar wel officieel op de hoogte zou zijn gesteld van de zittingsdatum en dat een vonnis kon worden gewezen bij afwezigheid.

De verdediging betoogde dat niet is aangetoond dat de verdachte daadwerkelijk op de hoogte was van de inhoudelijke behandeling, en dat geen van de in artikel 12 OLW Pro genoemde uitzonderingen van toepassing was. De officier van justitie stelde dat de verdachte bewust afstand had gedaan van zijn verdedigingsrechten door niet te verschijnen en naar Nederland te vertrekken.

De rechtbank oordeelde echter dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is omdat niet duidelijk is wanneer de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden en niet is aangetoond dat de verdachte officieel en ondubbelzinnig is geïnformeerd over deze behandeling. De Nederlandse wetgever heeft gekozen voor een imperatieve weigeringsgrond, waardoor de omstandigheden dat de verdachte zelf niet meewerkte niet tot een andere beslissing leiden. De overlevering werd daarom geweigerd en de geschorste overleveringsdetentie opgeheven.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de verdachte aan Polen wegens het ontbreken van een juiste kennisgeving van de inhoudelijke behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751113-18
RK nummer: 18/935
Datum uitspraak: 2 oktober 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 februari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 november 2016 door
the District Court in Gdańsk(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
wonend op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak
moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van
artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van
the Regional Court of Wejherowo(Polen) van 18 december 2015, met kenmerk: II K 335/13.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 3 jaar, 1 maand en 15 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
EAB en aanvullende informatie
In het EAB is in onderdeel D vermeld:
“No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision”.Voorts vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon niet in persoon is gedagvaard, maar wel anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt. Dit wordt in onderdeel D.2 als volgt toegelicht:
Convicted [opgeëiste persoon] , having been summoned properly, did not appear for the giving of verdict on 18.12.2015. Before the first hearing he had been advised on the obligation to inform about his whereabouts and effects of failure to meet that obligation. In preparatory proceedings he gave his residence address and service address.
Op 14 februari 2018 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) onder andere de volgende vragen aan de uitvaardigende Poolse autoriteit gesteld:
a) Have there been any earlier hearings in this case, in which the merits of the case, including the guilt of the wanted person were discussed? If the answer is yes, did [opgeëiste persoon] appeared at these earlier hearings?
b) If the answer is no, could you please indicate whether or not [opgeëiste persoon] had given a mandate to a lawyer in this case?
In de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 26 februari 2018 is hierop als volgt geantwoord:
As the accused person [opgeëiste persoon] knew about the ongoing proceedings he was heard and advised in the course of preparatory proceedings and also took part in some trials in the matter. Among other dates, he appeared for the trial date on 16 May 2014. It follows from notes in the minutes that despite his duty the accused person did not inform of his correspondence address and ceased to collect notifications for the next trial dates properly served at the address shown by him upon two advice notes.Furthermore, the accused did not make use of assistance from a defence counsel (…).
4.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. Het is niet duidelijk geworden wanneer de
merits of the casezijn behandeld en ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte is gebracht van die zitting of zittingen, zoals vereist in artikel 12 OLW Pro. Géén van de in artikel 12 sub a tot Pro en met d OLW genoemde omstandigheden heeft zich voorgedaan.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie volgt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet geldt. Uit de aanvullende informatie en de verklaring van de opgeëiste persoon volgt dat de zaak meerdere keren is aangehouden. De opgeëiste persoon is hier een tijd van op de hoogte geweest, maar heeft er op enig moment zelf voor gekozen om het verdere verloop van de procedure niet af te wachten door naar Nederland te vertrekken. De opgeëiste persoon heeft er dus zelf voor gekozen zijn verdedigingsrechten niet verder uit te oefenen.
4.4
Oordeel van de rechtbankMet de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. Uit voornoemde aanvullende informatie leidt de rechtbank af dat er meerdere rechtszittingen zijn geweest. Ondanks de vragen van het IRC van 14 februari 2018 is niet duidelijk geworden wanneer de inhoudelijke behandeling – de schuldvraag, het onderzoek naar
the merits of the case– heeft plaatsgevonden. Uit het EAB, de aanvullende informatie en de verklaring van de opgeëiste persoon kan ook niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting. Geen van de in artikel 12 sub a tot Pro en met c OLW genoemde omstandigheden doet zich voor. Een verzetgarantie zoals bedoeld in artikel 12 sub d OLW Pro is niet verstrekt.
Het standpunt van de officier van justitie dat de opgeëiste persoon er kennelijk zelf voor heeft gekozen zijn verdedigingsrechten niet (verder) uit te oefenen, doet niet af aan de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Waar de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4 bis Pro van Kaderbesluit 2002/584/JBZ de uitvoerende justitiële autoriteit de ruimte biedt om rekening te houden met dergelijke omstandigheden (zie punt 51 van het arrest van 24 mei 2016 van het Hof van Justitie van de Europese Unie [1] ), heeft de Nederlandse wetgever gekozen voor een imperatieve weigeringsgrond. Artikel 12 OLW Pro geeft de overleveringsrechter dus geen ruimte om – indien zich geen van de gevallen van de onderdelen a tot en met d voordoet – af te zien van weigering van de overlevering op basis van omstandigheden als bedoeld in punt 51 van voornoemd arrest van het Hof van Justitie EU.
De rechtbank zal de overlevering dan ook moeten weigeren.

5.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 12 OLW.

6.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Wejherowo(Polen).
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. E.G. Fels en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 2 oktober 2018.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki).