De rechtbank Amsterdam heeft op 23 augustus 2018 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van voorbereiding van moord, doodslag, diefstal met geweld of brandstichting en witwassen. Verdachte zou in de periode van 10 tot 27 september 2016 betrokken zijn geweest bij deze voorbereidingshandelingen en witwassen van geld en goud.
De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, maar eiste bewezenverklaring van medeplichtigheid aan medeplegen voor het voorbereidingsfeit. De verdediging betoogde dat het niet duidelijk was op welk concreet strafbaar feit de voorbereiding zag en dat er onvoldoende bewijs was voor medeplegen en witwassen.
De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte voor opzet van verdachte op de voorbereidingshandelingen. Het enkele feit dat verdachte zijn broer vervoerde en dat markeringsstof op zijn hand werd aangetroffen, was onvoldoende om te stellen dat hij wist van strafbare feiten. Ook voor het witwassen was geen voldoende bewijs aanwezig. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
Daarnaast gelastte de rechtbank de teruggave van alle in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, omdat er geen relatie was met het ten laste gelegde.