De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 september 2018 een verzoek tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon wordt verdacht van het niet betalen van kinderalimentatie tussen 1999 en 2000, waardoor zijn minderjarige kinderen in een hulpeloze toestand zouden zijn gebracht.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. Vervolgens werd het EAB inhoudelijk besproken, waarbij de opgelegde straf van 1 jaar en 6 maanden gevangenisstraf centraal stond. De rechtbank stelde dat het feit mogelijk onder artikel 255 SrPro valt, maar dat uit de feitomschrijving in het EAB niet duidelijk blijkt dat de opgeëiste persoon zijn kinderen daadwerkelijk en opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht.
Daarom besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en te schorsen om de officier van justitie de gelegenheid te geven nadere informatie te verkrijgen van de Poolse autoriteiten over de dubbele strafbaarheid en de omstandigheden van het feit. Tevens werd de oproeping van de opgeëiste persoon en een Poolse tolk bevolen voor een nader te bepalen datum.
De rechtbank kwam nog niet toe aan de bespreking van het verweer over de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander volgens artikel 6, vijfde lid, OLW. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, waarbij de jongste rechter niet kon medeondertekenen.
Uitkomst: Onderzoek heropend en geschorst voor nadere informatie over dubbele strafbaarheid bij Europees aanhoudingsbevel kinderalimentatie.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751870-17
RK nummer: 18/219
Datum uitspraak: 25 september 2018
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 januari 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 juli 2017 door the Circuit Courtin Wrocław (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1959,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres: [adres] .
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 september 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van a binding sentence of the District Court for Wrocław-Śródmieścievan 30 januari 2002, referentie: V K 1260/01. Deze straf is voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van vier jaar. Bij een binding decisionvan 25 mei 2006 heeft the District Court for Wrocław-Śródmieściede tenuitvoerlegging van deze straf bevolen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
Volgens onderdeel e) van het EAB heeft het EAB betrekking op één feit. Het feit is als volgt omschreven:
“Between January 1999 and February 2000 in Wroclaw, he persistently evaded the duty imposed on him by law and under the decision of the District Court for Wroclaw-Krzyki dated 14th February 1995, court file no. R III C 20/95, to provide maintenance payments to his underage children, namely [naam 1] and [naam 2] , of a total of 180 PLN per month, subsequently increased up to 500 PLN per month under the sentence of the District Court for Wroclaw-Krzyki dated 17th March 1998, court file no. R III C 1136/97, thereby exposing them to a situation where they could not satisfy their essential needs.”
Het niet betalen van kinderalimentatie kan naar Nederlands recht onder de delictsomschrijving van artikel 255 vanPro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) worden gebracht als de alimentatieplichtige weet dat er minst genomen een aanmerkelijke kans is dat het kind in een hulpeloze toestand wordt gebracht of gelaten. Van dit laatste is sprake wanneer er een concreet gevaar dreigt voor het leven of de gezondheid van het kind. In recente rechtspraak heeft de rechtbank in soortgelijke zaken geoordeeld dat uit de omschrijving van het feit in het EAB niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon zijn kind daadwerkelijk en opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht. In het verleden heeft de rechtbank echter ook geoordeeld dat de feitsomschrijving naar Nederlands recht wel kan vallen onder artikel 255 SrPro (zie rechtbank Amsterdam 21 augustus 2012 inzake K. (13/706465-12).
De rechtbank acht het met het oog hierop nodig dat meer helderheid wordt verkregen over het feit waarvoor de overlevering is gevraagd. Om die reden zal de rechtbank het onderzoek heropenen teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of:
de alimentatieplichtige wist dat er minst genomen een aanmerkelijke kans was dat de het kind in een hulpeloze toestand werd gebracht of gelaten, en
het kind daadwerkelijk aan een concreet gevaar voor diens leven of gezondheid is gebracht of gelaten.
5. Bespreking overige verweren
In het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4. heeft geoordeeld, komt zij thans nog niet toe aan de bespreking van het gevoerde verweer dat ziet op een eventuele gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
6.Beslissing
HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4. vermelde vragen te stellen;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. C. Klomp en A.R.P.J. Davids, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 september 2018.
De jongste rechter is buiten staat omdeze uitspraak mede te ondertekenen.