De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 februari 2018 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag van beide ouders over hun minderjarige kind. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. Het kind is sinds 2015 uit huis geplaatst en staat onder toezicht van de kinderrechter.
Uit onderzoek bleek dat de vader niet in staat is om binnen een aanvaardbare termijn zorg te dragen voor het kind, mede door een ernstig verstoorde relatie en langdurig contactverbod. De moeder heeft recentelijk weer contact met het kind en acht zichzelf in staat het gezag uit te oefenen. De minderjarige wenst dat het gezag van de moeder blijft bestaan en wil geen contact meer met de vader.
De rechtbank oordeelt dat het gezag van de vader moet worden beëindigd omdat het voortduren ervan de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigt. Het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder wordt afgewezen vanwege recente positieve ontwikkelingen en het belang van het kind. De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.