ECLI:NL:RBAMS:2018:658

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 februari 2018
Publicatiedatum
8 februari 2018
Zaaknummer
13/751584-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 OverleveringswetArt. 22 OverleveringswetArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 6 OverleveringswetArt. 7 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden in België

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 februari 2018 een vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Belgische onderzoeksrechter. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit, wordt verdacht van poging tot moord volgens Belgisch recht, wat ook strafbaar is in Nederland.

De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat aan de vereisten voor dubbele strafbaarheid was voldaan. Tevens werd een garantie ontvangen dat, indien de opgeëiste persoon in België onherroepelijk tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze in Nederland zal ondergaan.

Na sluiting van het onderzoek ontving de rechtbank recente informatie over slechte detentieomstandigheden in Belgische gevangenissen, waaronder het slapen op matrassen op de grond door een groot aantal gedetineerden. Gezien het arrest Aranyosi en Căldăraru van het Europese Hof van Justitie en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen om deze omstandigheden nader te onderzoeken.

De rechtbank beveelt tevens de oproeping van de opgeëiste persoon op een nog vast te stellen datum en tijdstip, met kennisgeving aan zijn raadsman. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek naar overlevering vanwege zorgen over detentieomstandigheden in België.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751584-17
RK-nummer: 17/4762
Datum uitspraak: 8 februari 2018
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2017 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, afdeling Turnhout (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.J. Crombach, advocaat te Breda.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek afgeleverd door Onderzoeksrechter W. Hermans van 26 juni 2017.
De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van België strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid, feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, als wordt voldaan aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert op naar Nederlands recht op:
Poging tot moord

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De Procureur des Konings heeft op 1 augustus 2017 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Na de terugkeer kan de Belgische vrijheidsbenemende straf of maatregel worden aangepast.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.
Het onder 4 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Detentieomstandigheden; aanleiding tot heropening

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek kennis genomen van recente ontwikkelingen in België over de detentieomstandigheden. De minister van Justitie heeft in antwoord op Kamervragen woensdag 7 februari 2018 erkend dat er 125 gedetineerden (107 mannen en 18 vrouwen) momenteel op een matras op de grond slapen. Dit zou zijn in inrichtingen in Hasselt, Antwerpen, Brugge, Gent, Ieper, Marche en Nijvel. De minister heeft verder verklaard alles in het werk te stellen om op redelijk korte termijn extra capaciteit te voorzien. In Brugge zijn twee secties onbeschikbaar wegens personeelsgebrek. Daarnaast zijn voorzieningen getroffen om extra opnamecapaciteit te creëren in de gevangenissen van Beveren en Leuze. Ook is onlangs de renovatie van een zeventigtal cellen in de gevangenis Leuven-Centraal afgerond.
De rechtbank ziet aanleiding zich over deze recente informatie over de detentieomstandigheden in België te beraden met het oog op het bepaalde in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru van 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU). Op een volgende zitting zal een en ander met partijen worden besproken.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen.

7.. Beslissing

HEROPENT EN SCHORSThet onderzoek
voor onbepaalde tijd.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de raadsman van de opgeëiste persoon.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en M.J. Alink rechters,
in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.