AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks zorgen over rechterlijke onafhankelijkheid in Polen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 januari 2018 de vordering van de officier van justitie tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht in Szczecin. De opgeëiste persoon werd verdacht van poging tot diefstal met bedreiging, gepleegd door meerdere personen.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen, waaronder de toetsing van dubbele strafbaarheid. De raadsman van de opgeëiste persoon voerde aan dat overlevering zou leiden tot schending van artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vanwege zorgen over de rechterlijke onafhankelijkheid in Polen, mede gegrond op een lopende artikel 7-procedure van de Europese Commissie.
De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van 18 januari 2018 en concludeerde dat, ondanks de zorgelijke ontwikkelingen in Polen, op dat moment geen reden was om te oordelen dat overlevering tot een schending van fundamentele rechten zou leiden. Het subsidiaire verzoek tot aanhouding werd afgewezen. Gezien het voldoen aan de wettelijke voorwaarden en het ontbreken van weigeringsgronden, werd de overlevering toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters van de rechtbank Amsterdam, en er is geen gewoon rechtsmiddel tegen mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks zorgen over de rechterlijke onafhankelijkheid.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752117-17 (EAB II)
RK nummer: 17/7643
Datum uitspraak: 8 februari 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 november 2017 (ontvangen op 29 november 2017) door the Regional Courtin Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd in [plaats detentie] .
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
1. De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
1.5.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 21 juni 2017 uitgevaardigd door het Kantongerecht in Szczecin (referentie VI Kp 594/17).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek wegens het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4.Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Poging tot diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5.Dreigende schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in Polen het risico loopt om het slachtoffer te worden van een schending van artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘Handvest’). Er zijn grote zorgen over de rechterlijke onafhankelijkheid. Door de Europese Commissie is een zogeheten ‘artikel 7-procedure’ gestart en deze heeft zijn hernieuwde bezorgdheid geuit.
Op grond van artikel 52, derde lid, van het Handvest biedt het Handvest minimaal evenveel bescherming als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. In de uitspraak van 16 juli 1971 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is in de zaak Ringeisen tegen Oostenrijk bepaald dat de rechterlijke instantie zowel ten opzichte van partijen als ten opzichte van de uitvoerende macht, onafhankelijk dient te zijn. Uit een artikel van het NRC van 21 juli 2017 blijkt dat de Minister van Justitie in Polen de bevoegdheid heeft om de voorzitter van een rechtbank te benoemen en te ontslaan. Ook Kees Sterk, de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak in Nederland, heeft zijn bezorgdheid over de Poolse rechtstaat geuit. De overlevering dient geweigerd te worden en subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding om te bezien hoe de situatie zich verder ontwikkelt.
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 januari 2018 (ECLI:RBAMS:2018:222), waarvan ook de raadsman kennis heeft genomen, overweegt de rechtbank dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen op het gebied van de rechterlijke onafhankelijkheid. De rechtbank ziet in hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht evenwel geen aanleiding tot een ander oordeel dan in voornoemde uitspraak, waarin de rechtbank heeft overwogen dat bij de huidige stand van zaken niet kan worden geoordeeld dat overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen tot een schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, in het bijzonder artikel 47 HandvestPro, zal leiden. Het verweer wordt verworpen.
In het licht van dit oordeel zal de rechtbank ook het subsidiair gedane aanhoudingsverzoek afwijzen.
6.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 vanPro de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7.Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 312 vanPro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, en 7 van de OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan het Regional Courtin Szczecin voor het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.