Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Jeltes, naar voren hebben gebracht.
2.De verdenking
3.Vrijspraak
4.Beslissing
spreekt verdachtedaarvan
vrij.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van poging tot doodslag door de aangever met een schroevendraaier te steken. Tijdens de zitting bleek dat het belangrijkste bewijsmiddel, de aangifte van de aangever, niet kon worden getoetst omdat de aangever onvindbaar was en niet kon worden gehoord.
De verdediging had verzocht om nadere ondervraging van de aangever, maar dit was niet mogelijk. De rechter-commissaris stelde vast dat het onwaarschijnlijk was dat de aangever binnen een redelijke termijn kon worden gehoord. Hierdoor werd het ondervragingsrecht geschonden, wat volgens artikel 6 EVRM Pro een schending van het recht op een eerlijk proces oplevert.
De officier van justitie stelde dat er voldoende steunbewijs was, zoals getuigenverklaringen en een letselverklaring, om de aangifte te compenseren. De rechtbank oordeelde echter dat de aangifte het enige beslissende bewijs was voor het steken met de schroevendraaier en dat de overige bewijsstukken onvoldoende waren om de betrouwbaarheid van de aangifte te toetsen.
Daarom werd de aangifte uitgesloten van het bewijs. Zonder deze verklaring was er onvoldoende bewijs om verdachte te veroordelen. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens schending van het ondervragingsrecht en bewijsuitsluiting.