ECLI:NL:RBAMS:2018:6078

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 augustus 2018
Publicatiedatum
23 augustus 2018
Zaaknummer
13/751170-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor diefstal in Slovenië

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 augustus 2018 een verzoek tot overlevering van een persoon aan Slovenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Arrondissementsrechtbank te Ljubljana. De verdachte werd verdacht van diefstal door meerdere personen met braak, een strafbaar feit volgens zowel Sloveens als Nederlands recht.

De verdediging voerde aan dat overlevering moest worden geweigerd wegens een flagrante schending van grondrechten, met name het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn (artikel 47 Handvest Pro) en het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest Pro). De rechtbank verwierp deze verweren, stellende dat het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten en de mogelijkheid voor de verdachte om zich in Slovenië te beroepen op zijn rechten voldoende garanties bieden.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke vereisten en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze beslissing is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Slovenië toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751170-18
RK-nummer: 18/1735
Datum uitspraak: 23 augustus 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 januari 2018 door de Arrondissementsrechtbank te Ljubljana (Slovenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Slovenië) op [geboortedatum] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [BRP-adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 augustus 2018. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. M. Wever, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Sloveense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB en in de op 22 maart 2018 aanvullende, door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte, informatie wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de
Arrondissementsrechtbank te Ljubljana(Slovenië) op 15 januari 2018 (kenmerk I K 21726/2016).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Slovenië strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid, feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2° OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
5.
Strijd met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd aangezien de weigeringsgrond van artikel 11 OLW Pro van toepassing is nu een flagrante schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon dreigt. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het gaat om een gedateerd feit, namelijk uit 2015.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer, dat wordt opgevat als een beroep op artikel 47 Handvest Pro, moet worden gepasseerd.
In haar uitspraak van 25 maart 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:2382), die betrekking had op een uit Luxemburg afkomstig EAB, heeft de rechtbank het navolgende overwogen:

Aan het stelsel van het EAB ligt het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten ten grondslag “dat hun respectieve nationale rechtsordes in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de op Unieniveau, in het bijzonder in het Handvest van de grondrechten, erkende grondrechten, zodat de personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dus binnen de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat eventuele rechtsmiddelen kunnen aanwenden ter betwisting van de rechtmatigheid van de procedure van strafvervolging (…)” (HvJ EU 30 mei 2013, zaak C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358 (Jeremy F.), punt 50). Nu het EAB strekt tot strafvervolging, zal de opgeëiste persoon zich dus bij de strafrechter in Luxemburg kunnen beroepen op zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn.
Onder verwijzing naar deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt. De opgeëiste persoon dient dit voor de Sloveense strafrechter, die immers beschikt over het zaaksdossier en zicht heeft op de aard en omvang van het totale onderzoek, naar voren te brengen.

6.Strijd met artikel 7 Handvest Pro

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op het recht op
family life, daartoe verwijzend naar artikel 8 van Pro het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (de rechtbank begrijpt: artikel 7 Handvest Pro). De raadsvrouw heeft in dit kader aangevoerd dat de opgeëiste persoon een relatie heeft in Nederland en dat zijn familie in Nederland woont.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.
De rechtbank overweegt als volgt. Overlevering is, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest, een toegestane inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. De rechtbank ziet in de geschetste persoonlijke omstandigheden geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. De inmenging in de uitoefening van het recht op
family lifelevert daarom geen beletsel op voor overlevering. Het verweer wordt verworpen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Arrondissementsrechtbank te Ljubljana (Slovenië) ten behoeve van het in Slovenië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en A.P. Sno, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 23 augustus 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.