De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 maart 2018 een vordering van het Openbaar Ministerie tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van de veroordeelde. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor valsheid in geschrift, verduistering en oplichting, en had een gevangenisstraf ondergaan waarna hij op 8 april 2017 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld met een proeftijd van 365 dagen.
Het Openbaar Ministerie verzocht om verlenging van deze proeftijd met twaalf maanden, onderbouwd met adviezen van de reclassering die stelden dat voortzetting van ambulante behandeling en monitoring noodzakelijk was om recidive te voorkomen en schuldenproblematiek aan te pakken. De veroordeelde en zijn raadsman verzetten zich tegen de verlenging, stellende dat de veroordeelde inmiddels stabiel is, een baan heeft, schuldenregelingen trof en vrijwillig de behandeling wil voortzetten.
De rechtbank oordeelde dat de proeftijd niet verlengd hoeft te worden omdat de veroordeelde al onder toezicht staat van een lopende proeftijd van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf met vergelijkbare voorwaarden die nog tot 12 februari 2020 loopt. Gezien de belangen van de veroordeelde en de samenleving achtte de rechtbank verlenging van de v.i.-proeftijd niet noodzakelijk noch proportioneel. De vordering werd daarom afgewezen.
De beslissing werd genomen door mr. M.E. Leijten, voorzitter, en de rechters L.R. Wisse en M.C.M. Hamer, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 28 maart 2018.