Verdachte werd beschuldigd van het vervalsen of laten vervalsen van een verkoopnota van een Mercedes om de werkelijke eigenaar te verhullen en zo het beslag op de auto op te heffen.
De officier van justitie stelde dat verdachte en een medeverdachte de verkoopnota hadden aangepast met het oogmerk deze als echt te gebruiken, terwijl de verdediging betoogde dat de auto gezamenlijk eigendom was en dat de nota slechts diende als bewijsstuk om het beslag op te heffen.
De rechtbank oordeelde dat niet vaststaat wie de daadwerkelijke eigenaar van de auto was, mede doordat beide partijen aanwijzingen leverden die zowel voor als tegen het eigendom van verdachte spraken. Ook kon niet worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om de verkoopnota met een lager bedrag als echt te gebruiken.
Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit van valsheid in geschrift.
Het verzoek van de verdediging om de in beslag genomen Mercedes aan verdachte te retourneren werd afgewezen omdat de auto onder de medeverdachte in beslag was genomen en niet onder verdachte.