Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Waardering van het bewijs
4.Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling
5.Beslissing
spreekt verdachte daarvan vrij.
Rechtbank Amsterdam
Op 14 juni 2018 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot inbraak in een café op 1 februari 2018, dan wel vernieling van een raam en een computer van het café op dezelfde dag.
De officier van justitie stelde dat de poging tot inbraak bewezen kon worden op basis van aangifte, getuigenverklaring en camerabeelden waarop verdachte herkend zou zijn. De verdediging voerde aan dat verdachte niet de persoon was die door de getuige was gezien, dat het signalement onvoldoende specifiek was en dat de camerabeelden van slechte kwaliteit waren, waardoor herkenning onbetrouwbaar was.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende specifiek was om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte de dader was. De camerabeelden waren van slechte kwaliteit en toonden geen duidelijke persoonskenmerken. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.
Daarnaast behandelde de rechtbank een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit. Omdat verdachte werd vrijgesproken van het nieuwe feit, wees de rechtbank deze vordering af en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot inbraak wegens onvoldoende bewijs; vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen.