Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
980,00
Rechtbank Amsterdam
Het Havenbedrijf Amsterdam hield een openbare Europese aanbesteding voor de realisatie van een nieuwe kademuur, waarbij inschrijvers varianten mochten aanbieden mits deze minimaal gelijkwaardig waren aan de besteksoplossing. De Combinatie diende vier varianten in naast een besteksconforme inschrijving.
Het Havenbedrijf verklaarde de inschrijving met twee varianten ongeldig omdat de Combinatie niet voldeed aan de bewijsverplichting omtrent gelijkwaardigheid, met name vanwege het ontbreken van een plooitoets die essentieel is voor de constructieve sterkte. De Combinatie stelde dat deze toets pas in een latere fase behoefde plaats te vinden, wat door de rechtbank werd verworpen.
De rechtbank oordeelde dat het Havenbedrijf terecht vooraf bewijs van gelijkwaardigheid kon eisen om vertraging te voorkomen. Ook was de Combinatie niet geslaagd in het aantonen dat de varianten minimaal gelijkwaardig waren, mede omdat essentiële berekeningen ontbraken. De vorderingen van de Combinatie werden daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de Combinatie worden afgewezen en de inschrijving met varianten 1A en 1B is terecht ongeldig verklaard.