Op 28 februari 2017 is de woning van verdachte onrechtmatig betreden door de politie met het oog op de aanhouding van een derde persoon. De politie had geen redelijke grond om te vermoeden dat deze persoon zich op dat moment in de woning bevond. De deur werd met geweld geopend zonder dat de machtiging tot binnentreden aan verdachte werd getoond.
Tijdens de doorzoeking werden diverse voorwerpen en een geldbedrag aangetroffen die als bewijs dienden voor de tenlasteleggingen. De verdediging voerde aan dat het binnentreden onrechtmatig was en dat dit een onherstelbaar vormverzuim opleverde, waardoor het bewijs uitgesloten moest worden.
De rechtbank oordeelde dat het binnentreden inderdaad onrechtmatig was en dat het vormverzuim ernstig was vanwege de schending van het huisrecht en de privacy. Gezien het ontbreken van ander wettig bewijs werd het ten laste gelegde niet bewezen verklaard en verdachte vrijgesproken.
De rechtbank besloot tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en het geldbedrag aan verdachte terug te geven.