Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. O.J.M. van der Bijl, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, naar voren hebben gebracht.
Rechtbank Amsterdam
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens het opzettelijk schenden van een geheimhoudingsplicht in de periode van 7 juli tot en met 26 augustus 2014. Verdachte zou een getuige hebben benaderd met vragen over politieonderzoek, waarbij zij een geheim had geschonden dat zij op grond van haar beroep of wettelijke voorschriften diende te bewaren.
Tijdens de terechtzitting van 10 januari 2018 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie en de verdediging. Het bewijs bestond voornamelijk uit de verklaring van de getuige, die belastend was voor verdachte. Deze getuige verklaarde dat een medeverdachte had verteld dat de politie gegevens van haar had opgevraagd.
De rechtbank overwoog dat het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan worden gebaseerd. Omdat er geen aanvullend bewijsmateriaal was dat de verklaring van de getuige ondersteunde, en de ontkennende verklaringen van verdachte en medeverdachte tegenover de getuige stonden, werd niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit van schending van de geheimhoudingsplicht.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor schending van de geheimhoudingsplicht.