Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
408,00
Rechtbank Amsterdam
Eiser verbleef vanaf zomer 2015 in een camper op het terrein van gedaagde en liep op 16 januari 2016 ernstig letsel op door het instorten van een dakdeel van een gebouw van gedaagde. Eiser stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en vorderde loon en schadevergoeding. De kantonrechter wees de loonvordering af wegens onvoldoende bewijs van een arbeidsovereenkomst.
Eiser vorderde vervolgens in kort geding een voorschot op immateriële schadevergoeding op grond van een vermeende arbeidsovereenkomst en schending van de zorgplicht. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet aannemelijk was en dat kort geding niet geschikt was voor nader onderzoek. De gevorderde voorziening werd afgewezen.
De rechtbank wees erop dat eiser eenvoudiger schadevergoeding kan verkrijgen via aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal, aangezien het letsel werd veroorzaakt door een instortend dak. Gedaagde was bereid zijn opstalverzekeraar in te schakelen, maar eiser had geen geldige aansprakelijkstelling ingediend. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De gevorderde voorschot schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van een aannemelijke arbeidsovereenkomst en onduidelijke grondslag van de vordering.