Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[naam eiser sub 1] ,
1.[naam gedaagde 1] ,
[naam gedaagde 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van [eisers] . van 20 juni 2016, met producties,
- de conclusie van antwoord van [naam gedaagde 1] , met producties,
- het tussenvonnis van 28 september 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast,
- de incidentele vordering ex. artikel 208 Rv Pro van [eisers] ,
- de incidentele conclusie van antwoord van [naam gedaagde 1] ,
- de akte inbreng productie, tevens akte wijziging eis in incident van [eisers] ,
- de rolbeslissing van de rechtbank van 27 januari 2017, waarbij is meegedeeld dat de beslissing in incident is aangehouden tot de inhoudelijke behandeling van de zaak,
- het proces-verbaal van comparitie van 9 maart 2017, waarbij partijen een voorwaardelijke schikking hebben bereikt,
- de akte uitlatingen van [eisers] van 5 april 2017, waarin [eisers] de rechtbank verzoekt vonnis uit te spreken,
- op 3 mei 2017 heeft mr. L. Hellinga zich onttrokken als advocaat van [naam gedaagde 1] ,
- de antwoordakte uitlatingen van [naam gedaagde 2] van 17 mei 2017, met producties, waarin [naam gedaagde 2] verzoekt om een nieuwe comparitie,
- het door [eisers] op 28 juli 2017 toegezonden procesdossier,
- de akte uitlating verzoek pleidooi van [naam gedaagde 2] van 28 juni 2017,
- de door [naam gedaagde 2] op 18 januari 2018 toegezonden nadere producties,
- de akte wijziging/vermeerdering van eis van [eisers] van 26 januari 2018 en
- het verkort proces-verbaal van de zitting gehouden op 1 februari 2018.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
conditio sine qua nonvoor [naam gedaagde 1] ’s handelen is geweest, want hij had ook andere bankrekeningen kunnen gebruiken om de stortingen op te ontvangen. Aldus nog steeds [naam gedaagde 2] .
€ 4.452,00(2,0 punt × tarief € 2.000,00 + 1,0 punt x tarief € 452,00)
- griffierecht € 1.548,00
- salaris advocaat