ECLI:NL:RBAMS:2018:2129

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2018
Publicatiedatum
9 april 2018
Zaaknummer
13/751100-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLWArt. 132 § 2 Pools Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens niet-aanwezigheid bij terechtzitting

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 maart 2018 een verzoek tot overlevering van een Poolse staatsburger op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Regional Military Court in Olsztyn, Polen. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar opgelegd bij vonnis van 16 april 2008.

De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), dat overlevering weigert indien de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de terechtzitting die tot het vonnis leidde, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Het EAB vermeldde dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zitting, maar wel geïnformeerd was over het vonnis en de mogelijkheid tot herziening.

De rechtbank constateerde dat de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten onvoldoende duidelijkheid gaf over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de zitting. De officier van justitie stelde dat de opgeëiste persoon vrijwillig had ingestemd met de strafoplegging zonder zitting, maar de rechtbank volgde dit niet. Omdat niet kon worden vastgesteld dat aan de voorwaarden van artikel 12 OLW Pro was voldaan, werd de overlevering geweigerd.

De rechtbank zag geen aanleiding om de zaak aan te houden voor nadere vragen aan de Poolse autoriteiten en wees de overige verweren van de raadsman af als niet meer relevant. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen wegens niet voldoen aan artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751100-17
RK nummer: 17/4104
Datum uitspraak: 27 maart 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 november 2016 door
the Regional Military Courtin Warschau (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:
[adres] , [plaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn verlengd waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van
the Garrisson Military Court in Olsztynvan 16 april 2008, met kenmerk: SG. 80/08.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
In onderdeel D van het EAB is meegedeeld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de behandeling ter terechtzitting die tot voornoemd vonnis heeft geleid. Tevens is vermeld:
d. the person was served the judgement on 25th April 2008 (day/month/year) and the person was expressly informed about the right to a retrial or appeal in which he has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original judgement being reversed.
Als toelichting hierop is in onderdeel D van het EAB meegedeeld dat het vonnis aan de moeder van de opgeëiste persoon is overhandigd op 24 april 2008.
Op 20 februari 2018 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
  • Could you inform me if the wanted person actually received information about the sentence by default and/or the means of appeal?
  • At what exact date/moment did the wanted person actually receive this information about the sentence by default and/om the means of appeal?
In reactie hierop is op 28 juli 2017 door de uitvaardigende justitiële autoriteit onder andere het volgende meegedeeld:
In accordance with the rules of the Polish Code of Criminal Procedures the appearance of the wanted person was not obligatory at a court session on l6thApril 2008 at which there was rendered the judgement imposing on him the penalty of 1 year imprisonment. Such penalty had been agreed with him twice and recorded in writing, i.e. in the course of the investigation on 30th January 2008 and in the course of court proceedings on 02nd April 2008. [opgeëiste persoon] voluntarily agreed to be convicted by the Court in the mode of the so-called voluntary submission to penalty, without conducting the hearing. A convicting judgement issued in this mode is not the judgement by default. A certified true copy of the judgement was required to be served, and in this case the judgement was effectively served on 25th April 2008 - upon an adult member of the household, in [opgeëiste persoon] ’s absence (Art. 132 § 2 of the Code of Criminal Procedure). Together with a certified true copy of the judgement, there was delivered a note instructing about the possibility of appeal against the judgement. Later knowledge of the content of the judgement directly results from the fact that the convict was staying under surveillance resulting from this judgement.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 28 juli 2017 volgt dat er kennelijk op 2 april 2008 een zitting ten overstaande van een rechter heeft plaatsgevonden – een
court proceeding– en dat de opgeëiste persoon op die zitting vrijwillig heeft ingestemd met de strafoplegging. Daarmee is volgens de officier van justitie voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW Pro. Mocht de rechtbank nog twijfels hebben over deze gang van zaken, dan zou de zaak nogmaals op het punt van artikel 12 OLW Pro kunnen worden aangehouden.
4.3
Oordeel van de rechtbankDe rechtbank overweegt dat de op 20 februari 2018 door het IRC gestelde vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet genoegzaam zijn beantwoord. Uit de aanvullende informatie volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de opgeëiste persoon – in tegenstelling tot wat is vermeld in het EAB – wel aanwezig zou zijn geweest bij de terechtzitting die tot onderhavig vonnis heeft geleid. De rechtbank volgt de lezing van de officier van justitie daarom niet en ziet ook geen aanleiding opnieuw vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit [1] . Uitgaande van de juistheid van de mededeling in het EAB dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de behandeling ter terechtzitting die tot onderhavig vonnis heeft geleid, terwijl onvoldoende informatie is verkregen om te kunnen beoordelen of zich één van de in artikel 12 sub a tot Pro en met d OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan, dient de overlevering te worden geweigerd op grond van dit artikel.
De overige verweren en/of verzoeken van de raadsman behoeven dan ook geen bespreking meer.

5.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Military Courtin Warschau (Polen).
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum voorzitter,
mrs. C. Klomp en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 27 maart 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vergelijk overweging 104 van HvJ EU, 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 (Zdziaszek).