Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen - schorsing van de vervolging
4.Beslissing
[verdachte].
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die tussen 2001 en 2003 ontuchtige handelingen zou hebben gepleegd jegens een minderjarige onder zijn zorg. Tijdens de terechtzittingen op 19 september 2017 en 12 maart 2018 werd vastgesteld dat verdachte lijdt aan de ziekte van Huntington, met ernstige cognitieve en executieve functiestoornissen.
Een gedragsneuroloog concludeerde in een Pro Justitia rapportage dat verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. De verdediging voerde aan dat verdachte daardoor niet effectief kan deelnemen aan het strafproces, wat ook de rechtsbijstand belemmert. De officier van justitie stemde in met schorsing van de vervolging, maar verzette zich tegen beëindiging van de zaak.
De rechtbank nam de conclusies van het rapport en eigen waarnemingen ter zitting over en oordeelde dat verdachte niet kan worden geacht de vervolging te begrijpen. Daarom werd de vervolging geschorst. Het verzoek om de zaak te beëindigen werd afgewezen, waarbij de aangever de gelegenheid krijgt te reageren op een eventuele beëindiging.
Uitkomst: De vervolging van verdachte wordt geschorst wegens ernstige cognitieve stoornissen door de ziekte van Huntington, waardoor hij de vervolging niet kan begrijpen.