Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
geboren te [geboortegegevens] 2003, hierna te noemen: [kind] .
3.Het verzoek van de man
4.Het verweer van de vrouw
5.De beoordeling
waarbij partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan.
Rechtbank Amsterdam
Partijen zijn gescheiden en hebben bij convenant een kinderalimentatiebedrag van €440 per maand vastgesteld, dat door wettelijke indexatie is gestegen tot €530 in 2018. De man verzocht om verlaging van deze bijdrage naar €100 per maand vanaf 30 juni 2017, met als argumenten een gewijzigde financiële situatie en de Wet Hervorming Kindregeling.
De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende heeft gesteld dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat een aanpassing van de alimentatie gerechtvaardigd is. De zorgregeling is niet uitgebreid, de behoefte van het kind is niet wezenlijk veranderd en de man heeft ondanks werkloosheid zijn inkomen kunnen handhaven. Ook de vermeende inkomensstijging van de vrouw is onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast verzet de rechtbank zich tegen wijziging louter op basis van de nieuwe wet en gewijzigde berekeningswijze. De man wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie wegens onvoldoende stelplicht.