ECLI:NL:RBAMS:2018:10054

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2018
Publicatiedatum
10 juli 2019
Zaaknummer
C/13/640200 / HA ZA 17-1345
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101 VWEU
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot oproeping in vrijwaring in truckkartelzaak

In deze zaak vorderen DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler, alle truckfabrikanten en geadresseerden van de Europese Commissie beschikking inzake het truckkartel, toestemming om andere truckfabrikanten in vrijwaring op te roepen. Deze andere partijen zijn mede geadresseerden van de beschikking of hebben een boete gekregen wegens deelname aan hetzelfde kartel.

De rechtbank overweegt dat de vordering tot oproeping in vrijwaring toewijsbaar is indien de gedaagde voldoende onderbouwd stelt dat de derde krachtens zijn rechtsverhouding verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling te dragen. De vorderingen zijn voldoende gemotiveerd en worden daarom toegewezen.

Daarnaast is afgesproken dat DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler in een later stadium aanvullend verlof kunnen vragen om het aantal partijen in vrijwaring uit te breiden. De termijn voor oproeping is vastgesteld op zes weken.

De rechtbank compenseert de proceskosten door iedere partij haar eigen kosten te laten dragen. De zaak staat op de rol voor verdere behandeling, waaronder een pleidooi over de stelplicht van Chapelton.

Het vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en op 31 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank staat de vordering tot oproeping in vrijwaring van andere truckfabrikanten toe en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/640200 / HA ZA 17-1345
Vonnis in incident van 31 oktober 2018
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CHAPELTON B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident
(hierna: Chapelton),
advocaat mr. M.H.J. van Maanen te 's-Gravenhage,
tegen
1. de naamloze vennootschap
DAF TRUCKS N.V.,
gevestigd te Eindhoven,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
DAF TRUCKS DEUTSCHLAND GMBH,
gevestigd te Frechen, Duitsland
(zowel tezamen als afzonderlijk hierna aangeduid als DAF),
advocaat mr. B. Winters te Amsterdam,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
VOLVO GROUP TRUCKS CENTRAL EUROPE GMBH,
gevestigd te Ismaning, Duitsland,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
VOLVO LASTVAGNAR AB,
gevestigd te Gothenburg, Zweden,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT TRUCKS SAS,
gevestigd te Saint-Priest, Frankrijk,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AB VOLVO,
gevestigd te Gothenburg, Zweden
(tezamen hierna aangeduid als Volvo/Renault),
advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,
7. de naamloze vennootschap
CNH INDUSTRIAL N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
8. de naamloze vennootschap
FIAT CHRYSLER AUTOMOBILES N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
IVECO S.P.A.,
gevestigd te Turijn, Italië,
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
IVECO MAGIRUS AG,
gevestigd te Ulm, Duitsland
(tezamen hierna aangeduid als Iveco),
advocaat mr. J.H. Lemstra te Amsterdam,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht
DAIMLER AG,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland
(hierna aangeduid als Daimler),
advocaat mr. W. Heemskerk te 's-Gravenhage,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 13 november 2017;
  • het proces-verbaal van de op 11 juli 2018 gehouden regiezitting;
  • de incidentele conclusies tot oproeping in vrijwaring;
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler, alle truckfabrikanten en alle geadresseerden van de beschikking van de Europese Commissie van 19 juli 2016 waarin een inbreuk op artikel 101 VWEU Pro (hierna: het kartel) is vastgesteld (hierna: de Beschikking), vorderen dat hen wordt toegestaan andere truckfabrikanten in vrijwaring op te roepen. Deze andere truckfabrikanten betreffen de (andere) gedaagden in deze procedure, PACCAR Inc. (de indirecte moedermaatschappij van DAF, eveneens geadresseerde van de Beschikking), MAN SE, MAN Truck & Bus AG en MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, eveneens geadresseerden van de Beschikking, en Scania AB, Scania CV AB en Scania Deutschland GmbH (hierna tezamen aangeduid als Scania). Scania is geen geadresseerde van de Beschikking, maar de Europese Commissie heeft op 27 september 2017 aan Scania een boete opgelegd wegens dezelfde door haar vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU Pro (en dus deelname aan het kartel).
2.2.
Aan hun vordering leggen DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler ten grondslag, samengevat, dat voor zover de rechtbank zal oordelen dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor enige schade, andere truckfabrikanten mede draagplichtig zijn.
2.3.
Daarnaast vordert DAF de rechtbank te bepalen dat het haar vrijstaat aanvullend verlof te vragen om het aantal in vrijwaring op te roepen partijen uit te breiden en/of te wijzigen.
2.4.
Chapelton refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.5.
Maatstaf voor de toewijsbaarheid van een vordering tot oproeping in vrijwaring is of de gedaagde partij in de hoofdzaak (voldoende onderbouwd) stelt dat de in vrijwaring op te roepen derde krachtens zijn rechtsverhouding tot haar verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde partij in de hoofdzaak te dragen.
2.6.
DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat als gevolg van deelname aan het kartel voor de andere truckfabrikanten mogelijk een (gedeeltelijke) verplichting tot vrijwaring bestaat. Voorts is de toestemming tot oproeping in vrijwaring gevorderd vóór alle weren. De vordering tot oproeping in vrijwaring van andere truckfabrikanten is dan ook toewijsbaar, zoals hierna in de beslissing is vermeld.
2.7.
Ten aanzien van het aanvullende verzoek van DAF is tijdens de regiezitting afgesproken dat, mocht in een later stadium van de procedure blijken dat DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler nog andere partijen in vrijwaring willen oproepen, zij in de gelegenheid zullen worden gesteld om hiertoe een verzoek in te dienen, waarna Chapelton in de gelegenheid zal worden gesteld om zich daartegen te verzetten, waarna de rechtbank dan zal beslissen.
2.8.
Ten aanzien van de termijn voor oproeping is tijdens de regiezitting afgesproken dat deze zes weken zal bedragen.
2.9.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd.

3.In de hoofdzaak

3.1.
Tijdens de regiezitting is afgesproken dat in januari 2019 een pleidooi zal plaatsvinden inzake de stelplicht van Chapelton. Thans staat de zaak op de rol van 28 november 2018 voor antwoordakte aan de zijde van DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
staat DAF toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 12 december 2018:
  • MAN SE, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus AG, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, gevestigd te München, Duitsland;
  • Daimler AG, gevestigd te Stuttgart, Duitsland;
  • Volvo Lastvagnar AB, gevestigd te Gothenburg, Zweden;
  • Volvo Group Trucks Central Europe GmbH, gevestigd te Ismaning, Duitsland,
  • Renault Trucks SAS, gevestigd te Saint-Priest, Frankrijk,
  • AB Volvo, gevestigd te Gothenburg, Zweden;
  • CNH Industrial N.V., gevestigd te Amsterdam;
  • Fiat Chrysler Automobiles N.V., gevestigd te Amsterdam;
  • Iveco S.p.A., gevestigd te Turijn, Italië;
  • Iveco Magirus AG, gevestigd te Ulm, Duitsland;
  • Scania AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania CV AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania Deutschland GmbH, gevestigd te Koblenz, Duitsland,
4.2.
staat Volvo/Renault toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 12 december 2018:
  • DAF Trucks N.V., gevestigd te Eindhoven;
  • DAF Trucks Deutschland GmbH, gevestigd te Frechen, Duitsland;
  • PACCAR Inc., gevestigd te Washington, Verenigde Staten van Amerika;
  • CNH Industrial N.V., gevestigd te Amsterdam;
  • Fiat Chrysler Automobiles N.V., gevestigd te Amsterdam;
  • Iveco S.p.A., gevestigd te Turijn, Italië;
  • Iveco Magirus AG, gevestigd te Ulm, Duitsland;
  • MAN SE, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus AG, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, gevestigd te München, Duitsland;
  • Daimler AG, gevestigd te Stuttgart, Duitsland;
  • Scania AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania CV AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania Deutschland GmbH, gevestigd te Koblenz, Duitsland,
4.3.
staat Iveco toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 12 december 2018:
  • AB Volvo, gevestigd te Gothenburg, Zweden;
  • Volvo Lastvagnar AB, gevestigd te Gothenburg, Zweden;
  • Volvo Group Trucks Central Europe GmbH, gevestigd te Ismaning, Duitsland,
  • DAF Trucks N.V., gevestigd te Eindhoven;
  • DAF Trucks Deutschland GmbH, gevestigd te Frechen, Duitsland;
  • PACCAR Inc., gevestigd te Washington, Verenigde Staten van Amerika;
  • Daimler AG, gevestigd te Stuttgart, Duitsland;
  • MAN SE, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus AG, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, gevestigd te München, Duitsland;
  • Renault Trucks SAS, gevestigd te Saint-Priest, Frankrijk,
  • Scania AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania CV AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania Deutschland GmbH, gevestigd te Koblenz, Duitsland,
4.4.
staat Daimler toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 12 december 2018:
  • MAN SE, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus AG, gevestigd te München, Duitsland;
  • MAN Truck & Bus Deutschland GmbH, gevestigd te München, Duitsland;
  • CNH Industrial N.V., gevestigd te Amsterdam;
  • Fiat Chrysler Automobiles N.V., gevestigd te Amsterdam;
  • Iveco S.p.A., gevestigd te Turijn, Italië;
  • Iveco Magirus AG, gevestigd te Ulm, Duitsland;
  • AB Volvo, gevestigd te Gothenburg, Zweden;
  • Volvo Lastvagnar AB, gevestigd te Gothenburg, Zweden;
  • Volvo Group Trucks Central Europe GmbH, gevestigd te Ismaning, Duitsland,
  • Renault Trucks SAS, gevestigd te Saint-Priest, Frankrijk,
  • DAF Trucks N.V., gevestigd te Eindhoven;
  • DAF Trucks Deutschland GmbH, gevestigd te Frechen, Duitsland;
  • PACCAR Inc., gevestigd te Washington, Verenigde Staten van Amerika;
  • Scania AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania CV AB, gevestigd te Södertälje, Zweden;
  • Scania Deutschland GmbH, gevestigd te Koblenz, Duitsland,
4.5.
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
4.6.
verstaat dat de zaak thans staat op de rol van
28 november 2018voor antwoordakte DAF, Volvo/Renault, Iveco en Daimler.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.