Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the District Court in Zamość, Second Penal Division (Polen)en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
on temporary arrestvan
the Regional Court in Hrubieszówvan
- een vonnis van
- een vonnis van
- 1 jaar (IV K 1014/05), en
- 1 jaar en 8 maanden (IV K 484/06),
4.Artikel 12 van Pro de OLW
the Regional Court in Hrubieszówvan
the District Court in Zamoscbij beslissing van 2 oktober 2006 het hoger beroep ongegrond is verklaard (II KA 557/06) en de beslissing van
the Regional Court in Hrubieszówvan 28 juni 2006 in stand is gelaten.
- de opgeëiste persoon heeft in eerste aanleg vanwege zijn financiële situatie de rechtbank gevraagd hem een advocaat toe te wijzen, wat vervolgens is gebeurd;
- de opgeëiste persoon en zijn advocaat zijn in eerste aanleg op meerdere zittingen verschenen;
- de advocaat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg;
- de advocaat is opgetreden in hoger beroep.
- dat hij tegen de advocaat heeft gezegd dat hij in beroep wilde in geval van een veroordeling;
- dat hij wist dat de advocaat in beroep zou gaan.
the Regional Court in Hrubieszówvan 8 november 2006.
5.Strafbaarheid
the Regional Court in Hrubieszówvan
medeplegen van mishandeling.
the Regional Court in Hrubieszówvan 8 november 2006 leveren naar Nederlands recht op:
- wederspannigheid;
- eenvoudige belediging;
- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- mishandeling, begaan tegen zijn moeder en vader tot wie hij in een familierechtelijke betrekking staat.
the Regional Court in Hrubieszówvan 23 mei 2007 leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, door twee of meer verenigde personen.
6.Artikel 6 van Pro de OLW; heropening onderzoek
- een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger;
- een duurzaam verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond middels overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.
Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in 2012 en 2013 weliswaar weinig heeft verdiend, maar wel genoeg om te spreken van reële en daadwerkelijk arbeid. De rechtbank heeft in dit verband aansluiting gezocht bij het door de Immigratie- en Naturalisatiedienst gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). De opgeëiste persoon heeft namelijk meer dan 50 % van de toepasselijke bijstandsnorm verdiend. In 2014, 2015 en 2016 lag zijn inkomen boven de bijstandsnorm, waarmee zonder meer is voldaan aan voormelde normen.